Hof legt bewijslast voor afwijking van taxatiewijzer ten onrechte bij belanghebbende

Hof legt bewijslast voor afwijking van taxatiewijzer ten onrechte bij belanghebbende

Gegevens

Nummer
2026/434
Publicatiedatum
20 maart 2026
Auteur
Redactie
ECLI
ECLI:NL:HR:2026:438
Rubriek
WOZ
Relevante informatie

De WOZ-waarde van een onroerende zaak is aan de hand van de gecorrigeerde vervangingswaarde vastgesteld. De heffingsambtenaar heeft daarbij gebruikgemaakt van een taxatiewijzer (deel 1 onderwijs). Voor de restwaarde van de onroerende zaak is de heffingsambtenaar uitgegaan van de gemiddelden van de in de taxatiewijzer opgenomen kengetallen. Volgens belanghebbende moet worden uitgegaan van lagere percentages dan in de taxatiewijzer. Dit brengt volgens hof Den Haag (7 juni 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:1069) mee dat belanghebbende moet bewijzen dat grond bestaat voor afwijking van de taxatiewijzer. Belanghebbende is daarin niet geslaagd, aldus het hof.

Onder verwijzing naar HR 13 februari 2026, NTFR 2026/324 vernietigt de Hoge Raad de hofuitspraak omdat de bewijslast niet goed is verdeeld. De partij die een beroep doet op een afwijking van de richtsnoeren in de taxatiewijzer, terwijl zij de taxatiewijzer als uitgangspunt voor het desbetreffende aspect van de waardering heeft aanvaard, moet de gronden daarvoor stellen en bij betwisting aannemelijk maken. Indien die partij de belanghebbende is, vormt dit een uitzondering op de regel dat de bewijslast voor de WOZ-waarde in eerste instantie op de heffingsambtenaar rust. In dit geval heeft belanghebbende bij het hof de richtsnoeren van de taxatiewijzer voor de restwaarde evenwel niet als uitgangspunt aanvaard, zodat op belanghebbende niet de bewijslast komt te rusten. De Hoge Raad verwijst de zaak naar hof Amsterdam.