Hoge Raad geeft uitleg over matigingsbevoegdheid proceskostenvergoeding ex art. 2 lid 2 BPB
Hoge Raad geeft uitleg over matigingsbevoegdheid proceskostenvergoeding ex art. 2 lid 2 BPB
Gegevens
- Nummer
- 2026/433
- Publicatiedatum
- 20 maart 2026
- Auteur
- Redactie
- Rubriek
- Formeel belastingrecht
- Relevante informatie
In een WOZ-zaak heeft belanghebbende verzocht om afschriften van bepaalde gegevens. De heffingsambtenaar heeft deze gegevens niet verstrekt. Uitsluitend daarom heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard. De rechtbank heeft de proceskostenvergoeding op grond van art. 2 lid 2 BPB met de helft verminderd omdat belanghebbende alleen in het gelijk is gesteld wat betreft haar standpunt over toezending van de gevraagde gegevens. De Hoge Raad acht dit juist. Anders dan belanghebbende betoogt, is voor een vermindering op grond van art. 2 lid 2 BPB niet vereist dat de belanghebbende slechts op een punt van ondergeschikt belang gelijk heeft gekregen. De rechter heeft deze bevoegdheid ook als het gedeeltelijke gelijk betrekking heeft op de schending van een rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, maar die schending, zoals in het onderhavige geval, niet leidt tot vernietiging of wijziging van het bestreden besluit. Het gaat namelijk erom of toepassing van de forfaitaire proceskostenvergoeding op grond van art. 2 lid 1 BPB onredelijk zou zijn in het licht van het gewicht van het geschilpunt waarop de belanghebbende in het gelijk is gesteld. Verder overweegt de Hoge Raad nog dat ook in de gevallen waarin de forfaitaire proceskostenvergoeding al is beperkt op grond van Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm die vergoeding verder kan worden beperkt op grond van art. 2 lid 2 BPB.