Zelf opgestelde en door katvangers ondertekende self-billing facturen onvoldoende bewijs voor vooraftrek
Zelf opgestelde en door katvangers ondertekende self-billing facturen onvoldoende bewijs voor vooraftrek
Gegevens
- Nummer
- 2026/436
- Publicatiedatum
- 23 maart 2026
- Auteur
- Redactie
- Rubriek
- Omzetbelasting
- Relevante informatie
Belanghebbende is een fiscale eenheid bestaande uit een holding en dochtermaatschappijen die actief zijn in de (internationale) handel in metalen. Over de periode maart 2020 tot en met januari 2022 vraagt belanghebbende in elf maandaangiften om teruggaaf van in totaal ruim € 3,1 miljoen aan omzetbelasting, gebaseerd op self-billing facturen voor leveringen van metalen door vier ondernemers aan belanghebbende. De inspecteur wijst de verzoeken af, aanvankelijk wegens vermeende btw-fraude en later omdat niet aannemelijk is dat de leveringen daadwerkelijk hebben plaatsgevonden. Uit strafrechtelijk onderzoek blijkt onder meer dat de documentatie rond de transacties onregelmatigheden vertoont, transportdocumenten ontbreken of zijn vervalst en betrokken bestuurders verklaren niets van de transacties af te weten of slechts als katvanger te hebben gefungeerd. Bankafschriften tonen geen inkoop van metalen door de leveranciers aan, en de administratie van diverse betrokken partijen is onvolledig of verdwenen.
In geschil is of de teruggaafverzoeken omzetbelasting terecht zijn afgewezen. Het hof bevestigt het oordeel van de rechtbank () dat belanghebbende niet aannemelijk maakt dat de gestelde leveringen aan haar daadwerkelijk hebben plaatsgevonden. Het hof volgt de rechtbank in haar motivering dat self-billing facturen en verrekeningsovereenkomsten, opgesteld door belanghebbende zelf en mede ondertekend door katvangers, onvoldoende bewijs vormen. Het hof wijst erop dat belanghebbende op grond van art. 15 Wet OB 1968 de bewijslast draagt voor het recht op aftrek van voorbelasting, en ziet geen aanleiding hiervan af te wijken. De door belanghebbende gestelde bewijsnood vanwege inbeslagname van haar administratie acht het hof niet aannemelijk, omdat uit het strafrechtelijk onderzoek blijkt dat geen aanvullende relevante stukken zijn aangetroffen. Ook het argument dat de inspecteur te laat vragen heeft gesteld, verwerpt het hof, omdat uit het dossier blijkt dat tijdig om nadere informatie is verzocht. De onregelmatigheden in de documentatie, het ontbreken van transport- en betalingsbewijzen, en de verklaringen van betrokkenen ondersteunen het oordeel dat de leveringen niet aannemelijk zijn gemaakt. Het hof acht het bovendien onbegrijpelijk dat bij transacties van deze omvang niet meer bewijsstukken beschikbaar zijn. Ook is niet duidelijk of de juiste btw-regimes zijn toegepast, mede gezien de gebrekkige specificatie van de goederen op de facturen.
(Hoger beroep ongegrond.)