Genotsrecht op aandelen via geldlening leidt tot aanmerkelijk belang
Genotsrecht op aandelen via geldlening leidt tot aanmerkelijk belang
Gegevens
- Nummer
- 2026/437
- Publicatiedatum
- 23 maart 2026
- Auteur
- Redactie
- Rubriek
- Aanmerkelijk belang/Directeur-grootaandeelhouder
- Relevante informatie
Belanghebbende verstrekt in 2011 samen met anderen een geldlening aan een fonds, waarmee het economische belang bij aandelen in een bv wordt verkregen. Op 20% van de vordering wordt bij het sluiten van de leningsovereenkomst een call-optie ten gunste van een derde bv gevestigd, met een uitoefenprijs van € 110.000. In 2014 verkoopt het fonds de helft van de aandelen, waarna belanghebbende nog een economisch belang bij de aandelen van 5,3% houdt, waarvan 20% onder de optie valt. In 2018 worden de resterende aandelen verkocht en ontvangt belanghebbende een uitkering van € 907.565 . Belanghebbende geeft dit bedrag aan als box 3-vermogen, stellende dat hij door de optieverlening sinds 2014 geen aanmerkelijk belang meer heeft. De inspecteur belast het voordeel als een vervreemdingsvoordeel uit aanmerkelijk belang verminderd met een verkrijgingsprijs van € 75.000.
Belanghebbende heeft gelijk gekregen van de rechtbank, maar de inspecteur gaat in hoger beroep. Het hof oordeelt, anders dan de rechtbank, dat belanghebbende op grond van de leningsovereenkomst tot de uitoefening van de optie gerechtigd is tot alle voordelen uit de economische eigendom van de aandelen. Daarmee kan zijn positie als genotsrecht worden gekwalificeerd in de zin van art. 4.3 Wet IB 2001, in verbinding met art. 5.22 lid 3 Wet IB 2001. Op grond van deze bepalingen wordt de genotsgerechtigde gelijkgesteld met een aandeelhouder en zijn gerechtigdheid met een aandeel. Het hof acht daarom aannemelijk dat belanghebbende ook voor het deel waarop de optie rust, direct aandeelhouder is en dat zijn belang na de verkoop in 2014 5,3% bedraagt. Dit belang vormt een aanmerkelijk belang, zodat het in 2018 genoten voordeel uit de vervreemding van de aandelen terecht als inkomen uit aanmerkelijk belang is aangemerkt.
(Hoger beroep gegrond.)