Geen verlaagd tarief overdrachtsbelasting voor recreatiewoning wegens ontbreken hoofdverblijf

Geen verlaagd tarief overdrachtsbelasting voor recreatiewoning wegens ontbreken hoofdverblijf

Gegevens

Nummer
2026/453
Publicatiedatum
25 maart 2026
Auteur
Redactie
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2026:338
Rubriek
Belastingen van rechtsverkeer
Relevante informatie

Belanghebbende koopt in 2024 een recreatiewoning, waarvoor zij bij de verkrijging het reguliere tarief van 10,4% overdrachtsbelasting voldoet. In de leveringsakte is opgenomen dat de woning uitsluitend recreatief mag worden gebruikt en permanente bewoning niet is toegestaan. Belanghebbende huurt daarnaast een kamer in een andere plaats, waar zij staat ingeschreven in de BRP en vrijwilligerswerk verricht. Zij stelt dat zij vijf dagen per week in de recreatiewoning verblijft, daar boodschappen doet, betrokken is bij de coöperatie van het park en sociale contacten heeft opgebouwd . Inschrijving op het adres van de recreatiewoning is niet mogelijk.

In geschil is of belanghebbende recht heeft op het verlaagde tarief van 2% overdrachtsbelasting, in het bijzonder of is voldaan aan het hoofdverblijfcriterium. Het hof bevestigt het oordeel van de rechtbank dat belanghebbende niet aannemelijk maakt dat zij de recreatiewoning na verkrijging anders dan tijdelijk als hoofdverblijf gebruikt. Het hof overweegt dat de bewijslast bij belanghebbende ligt en dat uit de overgelegde pintransacties, de betrokkenheid bij de coöperatie en de verklaringen niet volgt dat de recreatiewoning het middelpunt van haar persoonlijke en economische belangen vormt. Het aanhouden van de gehuurde woonruimte, het voortzetten van vrijwilligerswerk en familiebanden in de andere plaats wijzen eerder op het hoofdverblijf aldaar. De pintransacties betreffen vooral kleine uitgaven in het weekend, wat recreatief gebruik suggereert. Het hof benadrukt dat het feit dat permanente bewoning niet is toegestaan en inschrijving in de BRP niet mogelijk is, niet doorslaggevend is, maar dat belanghebbende onvoldoende objectief bewijs levert voor duurzaam hoofdverblijf in de recreatiewoning. De verwijzing naar het opbouwen van een leven in de recreatiewoning acht het hof onvoldoende, mede omdat het om een tijdstipbelasting gaat.

(Hoger beroep ongegrond.)