Geen uitbetaling heffingskorting voor in Duitsland wonende AOW-gerechtigde
Geen uitbetaling heffingskorting voor in Duitsland wonende AOW-gerechtigde
Gegevens
- Nummer
- 2026/446
- Publicatiedatum
- 24 maart 2026
- Auteur
- Redactie
- Rubriek
- Internationaal en Europees
- Relevante informatie
Belanghebbende woont in 2019 in Duitsland en ontvangt een AOW-uitkering. Zij is gehuwd met een partner die een WIA-uitkering ontvangt en als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige is aangemerkt. Over haar AOW-uitkering is in Duitsland geen inkomstenbelasting betaald, mede door toepassing van een overgangsregeling en de belastingvrije som in de Duitse wetgeving. In Nederland vraagt belanghebbende uitbetaling van de heffingskorting aan, verwijzend naar de fiscale informatie 2019 van de Belastingdienst. De inspecteur wijst dit af omdat het inkomen niet uitsluitend wegens de geringe hoogte buiten de Duitse belastingheffing blijft. In geschil is of belanghebbende recht heeft op uitbetaling van de heffingskorting, met name of zij kwalificerende buitenlandse belastingplichtige is, of zij op de fiscale informatie 2019 mocht vertrouwen, of Unierecht (Schumacker-rechtspraak) uitbetaling vereist en of de belastingrentebeschikking moet vervallen. Het hof bevestigt het oordeel van de rechtbank dat belanghebbende niet als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige kan worden aangemerkt. Volgens het hof vereist art. 21bis lid 1 UBIB 2001 dat het niet verschuldigd zijn van inkomstenbelasting in het woonland uitsluitend het gevolg is van de geringe hoogte van het inkomen. In dit geval blijft een deel van het inkomen buiten de Duitse heffing door een overgangsregeling die niet het doel heeft een minimuminkomen vrij te stellen, zodat niet aan deze voorwaarde is voldaan. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt omdat de fiscale informatie 2019 slechts een algemene toelichting is en belanghebbende geen handeling heeft verricht die tot een andere fiscale uitkomst heeft geleid. Ook het beroep op het Unierecht wordt verworpen. Het hof past de Schumacker-rechtspraak toe en overweegt dat de uitbetaling van de heffingskorting aan niet-ingezetenen alleen vereist is als het gezinsinkomen vrijwel geheel in Nederland wordt belast en de woonstaat geen rekening kan houden met de persoonlijke situatie. In dit geval zou belanghebbende, ook als ingezetene van Nederland, geen recht hebben op uitbetaling van de heffingskorting omdat het maximum aan gecombineerde heffingskorting reeds is bereikt. Ten slotte kan de belastingrentebeschikking niet worden vernietigd op grond van de fiscale informatie 2019.
(Hoger beroep ongegrond.)