Onzakelijk lage rente op aandeelhouderslening aangemerkt als winstuitdeling

Onzakelijk lage rente op aandeelhouderslening aangemerkt als winstuitdeling

Gegevens

Nummer
2026/447
Publicatiedatum
24 maart 2026
Auteur
Redactie
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2026:1011
Rubriek
Aanmerkelijk belang/Directeur-grootaandeelhouder
Relevante informatie

Belanghebbende is een bv waarvan de enig aandeelhouder in 2018 een lening van € 1.000.000 ontvangt. De aandeelhouder leent dit bedrag vervolgens door aan derden, onder vrijwel identieke voorwaarden, maar tegen een aanzienlijk hoger rentepercentage. De bv verstrekt de lening aan de aandeelhouder tegen een rente van 2% (later 1%) en zonder zekerheden, terwijl de aandeelhouder aan de derden een rente van 7% bedingt, eveneens zonder zekerheden en zonder tussentijdse aflossingsverplichting. De bv ontvangt in 2018 € 18.301 aan rente van de aandeelhouder, terwijl de aandeelhouder € 64.166 aan rente van de derden ontvangt. De inspecteur corrigeert de aangifte vennootschapsbelasting door het verschil aan te merken als een winstuitdeling aan de aandeelhouder. De rechtbank oordeelt dat de lagere rente zakelijk is vanwege de gunstige vermogenspositie van de aandeelhouder. Het hof echter oordeelt, anders dan de rechtbank, dat sprake is van een onzakelijk lage rente en dus van een winstuitdeling aan de aandeelhouder. Het hof stelt vast dat de interne lening van de bv aan de aandeelhouder en de externe lening van de aandeelhouder aan de derden in alle relevante opzichten gelijk zijn, behalve de rentevoet. Het substantiële verschil in rente (2% respectievelijk 7%) kan niet worden verklaard door een verschil in debiteurenrisico, aangezien zowel de aandeelhouder als de derden over voldoende vermogen beschikken om aan hun verplichtingen te voldoen. Het hof acht aannemelijk dat de bv de aandeelhouder als zodanig heeft willen bevoordelen door een lagere rente te bedingen dan bij een onafhankelijke derde het geval zou zijn geweest. Het voordeel dat de aandeelhouder aldus geniet, moet tot de winst van de bv worden gerekend en als winstuitdeling worden aangemerkt. Het hof volgt hiermee de lijn van de Hoge Raad, onder meer HR 11 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BU3685, en HR 13 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:26.

(Hoger beroep gegrond.)