Bevoordelingsoogmerk vereist voor correctie tegenprestatie inkoop ab-aandelen naar WEV
Bevoordelingsoogmerk vereist voor correctie tegenprestatie inkoop ab-aandelen naar WEV
Gegevens
- Nummer
- 2026/467
- Publicatiedatum
- 27 maart 2026
- Auteur
- Redactie
- Rubriek
- Aanmerkelijk belang/Directeur-grootaandeelhouder
- Relevante informatie
Belanghebbende hield samen met haar broer alle aandelen in een bv. De broer was de enige bestuurder van de bv. Voor beiden vormde het aandelenbezit een aanmerkelijk belang. Eind augustus 2012 had belanghebbende een vordering op de bv van € 3.972.912. Op 13 september 2012 heeft zij een koopovereenkomst gesloten met de bv, waarin is bepaald (i) dat de bv alle aandelen van belanghebbende inkoopt voor € 1.500.000, (ii) dat belanghebbende de aandelen uiterlijk op 31 januari 2014 aan de bv levert, en (iii) dat de bv haar schuld aan belanghebbende uiterlijk op 31 december 2012 zal aflossen. De levering van de aandelen heeft plaatsgevonden op 4 maart 2014. Belanghebbende was, evenals haar broer, begunstigde van een in 2009 opgerichte en in december 2015 beëindigde buitenlandse familietrust. In 2019 heeft belanghebbende een inkeerverzoek gedaan ter zake van in het buitenland aangehouden familievermogen van € 40 à € 50 miljoen. De trustvraag heeft belanghebbende in haar aangifte IB/PVV 2014 niet (met ‘ja’) beantwoord. Ter zake van de inkoop is een ab-voordeel verantwoord € 1.489.992 (inkoopprijs € 1.500.000 -/- € 10.008 verkrijgingsprijs). Volgens de inspecteur is bedoelde koopovereenkomst niet onder normale omstandigheden gesloten. Daarom heeft hij bij de berekening van het ab-voordeel als tegenprestatie voor de aandelen de waarde in het economische verkeer daarvan in aanmerking genomen en aldus de ab-winst bepaald op € 5.572.702.
Hof Amsterdam ( ) heeft de inspecteur (grotendeels) in het gelijk gesteld. Het hof heeft de bewijslast omgekeerd en verzwaard, omdat belanghebbende niet de vereiste aangifte heeft gedaan. De stelling van de inspecteur dat de koopovereenkomst niet onder normale omstandigheden is gesloten, acht het hof juist, en de door de inspecteur (subsidiair) bepleite waarde in het economische verkeer van de aandelen niet willekeurig. Belanghebbende slaagde volgens het hof niet in haar verzwaarde bewijslast. Belanghebbende heeft tegen de hofuitspraak cassatieberoep aangetekend, maar zonder succes.
De in cassatie aangevochten oordelen van het hof dat het antwoord op de trustvraag van belang is voor het geschil over de omvang van het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang en dat de trustvraag van voldoende gewicht is om de omkering en verzwaring van de bewijslast te rechtvaardigen, acht de Hoge Raad namelijk cassatieproof.
Uit HR 25 juni 2004, NTFR 2024/ 967 volgt dat alleen bij aanwezigheid van een bevoordelingsoogmerk de in aanmerking te nemen tegenprestatie op de voet van art. 4.22 lid 1 Wet IB 2001 kan worden gesteld op de waarde die ten tijde van de vervreemding in het economische verkeer aan de desbetreffende aandelen kan worden toegekend. In de oordelen van het hof ligt – anders dan belanghebbende betoogt – besloten dat belanghebbende bij de inkoop van aandelen beoogde haar broer te bevoordelen. Dit oordeel acht de Hoge Raad cassatieproof.
(Cassatieberoep ongegrond.)