Niet-preferentiële oorsprong van goederen (fietsen) bepalen aan hand van ‘laatste ingrijpende verwerking of bewerking’
Niet-preferentiële oorsprong van goederen (fietsen) bepalen aan hand van ‘laatste ingrijpende verwerking of bewerking’
Gegevens
- Nummer
- 2026/469
- Publicatiedatum
- 27 maart 2026
- Auteur
- Redactie
- Rubriek
- Douane
- Relevante informatie
Belanghebbende heeft in 2013 aangiften gedaan voor in het vrije verkeer brengen van fietsen uit Cambodja. Daarbij heeft belanghebbende verzocht om een preferentieel tarief van 0%. Na onderzoek is door het Europees bureau voor fraudebestrijding (OLAF) vastgesteld dat in Cambodja slechts assemblagehandelingen zijn verricht met onderdelen en materialen uit andere landen. De inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat deze fietsen van niet-preferentiële oorsprong uit China zijn en heeft daarom antidumpingrechten (48,5%) nagevorderd. Hof Amsterdam (1 november 2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:3633) heeft de inspecteur in het gelijk gesteld. Het hof heeft geoordeeld dat de assemblagehandelingen in Cambodja niet een bepalende fabricagefase hebben gevormd, dat het merendeel van de waarde van de samengestelde onderdelen wordt vertegenwoordigd door onderdelen met oorsprong China, zodat ook de fietsen de niet-preferentiële oorsprong China hebben.
De Hoge Raad vernietigt de hofuitspraak. De niet-preferentiële oorsprong van de fietsen moet worden bepaald aan de hand van het criterium van de ‘laatste ingrijpende verwerking of bewerking’ van de betrokken goederen. Wanneer het productieproces zich in verschillende stadia en landen voltrekt, moet worden onderzocht of een van die stadia vanuit technisch oogpunt als het beslissende en belangrijkste productiestadium moet worden beschouwd. Als de oorsprong niet aan de hand van technische criteria is vast te stellen, moet de oorsprong worden bepaald aan de hand van andere criteria, zoals de zogenoemde lijstregels van de Commissie of het criterium van de toegevoegde waarde. Bij dit laatste criterium gaat het erom te onderzoeken of de productiehandelingen in een bepaald land hebben geleid tot een aanmerkelijke verhoging van de handelswaarde van het eindproduct af fabriek. Het hof heeft de niet-preferentiële oorsprong niet bepaald aan de hand van deze criteria, maar zijn beoordeling uitsluitend beperkt tot de in Cambodja verrichte handelingen. Gelet daarop wordt de hofuitspraak vernietigd en volg terugwijzing.
Deze samenvatting ziet ook op HR 27 maart 2026, nr. 22/04803, ECLI:NL:HR:2026:493.