Objectafbakening is juist, maar wel waardedruk PAS-melderschap melkveebedrijf

Objectafbakening is juist, maar wel waardedruk PAS-melderschap melkveebedrijf

Gegevens

Nummer
2026/475
Publicatiedatum
30 maart 2026
Auteur
Redactie
ECLI
ECLI:NL:RBNNE:2026:668
Rubriek
Heffing lokale overheden
Relevante informatie

Belanghebbende exploiteert samen met zijn echtgenote en zoon een melkveebedrijf in maatschapsverband. De onroerende zaken bestaan uit een bedrijfswoning, een melkveebedrijf en een afzonderlijke woning van de zoon. De heffingsambtenaar stelt de WOZ-waarde van de bedrijfswoning en het melkveebedrijf per waardepeildatum 1 januari 2023 vast. Het bezwaar tegen de waarde van de bedrijfswoning wordt deels gehonoreerd, maar de waarde van het melkveebedrijf blijft gehandhaafd. In geschil is of de heffingsambtenaar de objectafbakening juist heeft toegepast en of hij bij de waardering van het melkveebedrijf ten onrechte geen rekening heeft gehouden met waardedruk door het PAS-melderschap. De rechtbank oordeelt dat de heffingsambtenaar de onroerende zaken terecht als drie afzonderlijke WOZ-objecten heeft afgebakend. Doorslaggevend is dat de gebruikers van de objecten verschillen. De zoon gebruikt de ene woning, belanghebbende en zijn echtgenote de andere en het melkveebedrijf wordt door de maatschap gebruikt. Daarmee is niet voldaan aan het criterium van gebruik door dezelfde belastingplichtige als bedoeld in art. 16 Wet WOZ. Het beroep op samenvoeging tot één WOZ-object slaagt daarom niet. Ten aanzien van de waardering van het melkveebedrijf stelt de rechtbank vast dat de heffingsambtenaar bij de toepassing van de taxatiewijzer ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de waardedrukkende invloed van het PAS-melderschap. De rechtbank overweegt dat de onzekerheid over legalisatie van PAS-melders ook op de waardepeildatum een waardeverminderend effect heeft, ongeacht de individuele omstandigheden van het bedrijf. De taxatiewijzer is gebaseerd op marktgegevens van bedrijven met de benodigde vergunningen en is daarom niet zonder meer toepasbaar op PAS-melders. De rechtbank acht het aannemelijk dat de waardedruk zich ook bij belanghebbende voordoet en dat deze voortvloeit uit publiekrechtelijke voorschriften die de gebruiksmogelijkheden van het bedrijf beperken. Omdat beide partijen hun waardestellingen onvoldoende onderbouwen, stelt de rechtbank de waarde in goede justitie vast op € 850.000.

(Beroep gegrond.)