Familiaire lening voor zelfbewoonde woning heeft een onzakelijk hoge rente
Familiaire lening voor zelfbewoonde woning heeft een onzakelijk hoge rente
Gegevens
- Nummer
- 2026/487
- Publicatiedatum
- 31 maart 2026
- Auteur
- Redactie
- Rubriek
- Winst
- Relevante informatie
Belanghebbende is belastingadviseur en participeert samen met zijn ouders en zussen in een maatschap die een agrarische onderneming drijft. In 2015 koopt hij de door de familie bewoonde woning van zijn vader voor € 315.000, gefinancierd met een lening van zijn ouders tegen 9% rente, zonder aflossingsplicht en zonder hypothecaire zekerheid. De woning wordt als buitenvennootschappelijk ondernemingsvermogen geactiveerd. In 2018 brengt belanghebbende zijn maatschapsaandeel, met uitzondering van de woning en de lening, geruisloos in een bv in; de woning en lening worden naar privé onttrokken. Over de waarde van de woning bij onttrekking, de zakelijkheid van de rente en de opgelegde vergrijpboete ontstaat discussie.
In geschil is of het rentepercentage van 9% zakelijk is, wat het fiscale boekresultaat is bij de onttrekking van de woning, en of de rechtbank de vergrijpboete terecht heeft vernietigd. Het hof oordeelt, in navolging van de rechtbank, dat belanghebbende niet aannemelijk maakt dat een rente van 9% zakelijk is. Het hof acht van belang dat de ouders, ondanks het ontbreken van formele zekerheden, feitelijk via de maatschapsovereenkomst en familiebanden voldoende zekerheden hebben. Ook wijst het hof op de veel lagere marktrente voor vergelijkbare leningen in 2015. Het hof stelt het zakelijke rentepercentage vast op 4,5%. Voor het fiscale boekresultaat bij de onttrekking van de woning stelt het hof vast dat de beginwaarde niet hoeft te worden verlaagd wegens duurzame zelfbewoning, omdat de woning direct als ondernemingsvermogen is aangekocht. Wel houdt het hof rekening met het feit dat de woning niet vrij van gebruik is geleverd, en past hiervoor een waardedrukkend effect van 35% toe. De waarde van de woning bij onttrekking ultimo 2017 stelt het hof in goede justitie vast op € 350.000, omdat beide partijen hun taxaties onvoldoende onderbouwen. Op deze waarde mag een vermindering wegens zelfbewoning van 35% worden toegepast. Het hof bevestigt het door de rechtbank berekende boekverlies van € 32.017. Ten aanzien van de vergrijpboete oordeelt het hof dat de inspecteur niet aannemelijk maakt dat belanghebbende opzettelijk een onjuiste aangifte heeft gedaan, omdat diens bewijsredenering uitgaat van de onjuiste opvatting dat duurzame zelfbewoning een waardedrukkende factor is.
(Hoger beroep ongegrond.)