Bedrijfsopvolgingsvrijstelling overdrachtsbelasting strikt beperkt tot aangewezen familiekring

Bedrijfsopvolgingsvrijstelling overdrachtsbelasting strikt beperkt tot aangewezen familiekring

Belanghebbende exploiteert sinds 1995 samen met zijn oom een melkveebedrijf in maatschapsverband. De grootvader heeft het bedrijf in 1983 overgedragen aan de oom, waarna belanghebbende en de oom het bedrijf gezamenlijk voortzetten. In 2020 verkrijgt belanghebbende bij beëindiging van de maatschap de volledige economische en juridische eigendom van de onroerende zaken van het bedrijf. Over deze verkrijging is overdrachtsbelasting voldaan, waarbij voor de cultuurgrond een beroep is gedaan op de vrijstelling van art. 15 lid 1 letter q WBRV. Voor het overige deel van de verkrijging doet belanghebbende een beroep op de vrijstelling voor bedrijfsoverdracht in de familiesfeer van art. 15 lid 1 letter b WBRV. In geschil is of belanghebbende recht heeft op de vrijstelling van art.15 lid 1 letter b WBRV bij de verkrijging van het melkveebedrijf van zijn oom. Het hof bevestigt het oordeel van de rechtbank dat belanghebbende niet tot de in art. 15 lid 1 letter b WBRV genoemde kring van verkrijgers behoort. Het hof overweegt dat de wetgever de vrijstelling bewust heeft beperkt tot kinderen, kleinkinderen, broers, zusters en hun echtgenoten, en dat belanghebbende als neef daar niet onder valt. Het betoog dat het bedrijf feitelijk (in)direct van de grootvader is verkregen, verwerpt het hof omdat de overdracht in 1983 uitsluitend aan de oom heeft plaatsgevonden. Een beroep op de ratio van de regeling leidt niet tot een ruimere uitleg dan de wettekst toelaat. Het hof ziet geen strijd met het discriminatieverbod van art. 26 IVBPR of art. 14 EVRM in verbinding met art. 1 EP. De wetgever heeft bij de afbakening van de vrijstelling een ruime beoordelingsvrijheid en die is niet overschreden. Ook is geen sprake van een inbreuk op het recht op eerbiediging van het familie- of gezinsleven (art. 8 EVRM). Het beroep op het evenredigheidsbeginsel slaagt evenmin. Het hof overweegt dat de wetgever zich bewust is geweest van de gevolgen van de beperking van de kring van verkrijgers en dat geen sprake is van een bijzondere omstandigheid die niet is verdisconteerd in de wetgeving.

(Hoger beroep ongegrond.)