Tijdsevenredige berekening heffingskortingen buitenlands belastingplichtige niet in strijd met vertrouwens- en gelijkheidsbeginsel

Tijdsevenredige berekening heffingskortingen buitenlands belastingplichtige niet in strijd met vertrouwens- en gelijkheidsbeginsel

Gegevens

Nummer
2026/495
Publicatiedatum
1 april 2026
Auteur
Redactie
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2026:326
Rubriek
Inkomstenbelasting diversen
Relevante informatie

Belanghebbende woont in 2017 en 2018 in Polen en werkt in die jaren uitsluitend in Nederland, gedurende enkele maanden per jaar. Zij ontvangt loon waarop loonheffingen zijn ingehouden en in 2017 is arbeidskorting toegepast, in 2018 niet. Aanvankelijk doet zij aangifte als binnenlands belastingplichtige, maar corrigeert dit later naar buitenlands belastingplichtige en geeft aan het hele jaar premieplichtig te zijn, zonder inkomensverklaringen over buitenlands inkomen te verstrekken. De inspecteur past het premiedeel van de heffingskortingen tijdsevenredig toe, uitsluitend voor de perioden waarin belanghebbende in Nederland werkt en premieplichtig is. In hoger beroep overlegt belanghebbende inkomensverklaringen uit Polen, die geen inkomsten vermelden.

In geschil is of belanghebbende recht heeft op het volledige premiedeel van de heffingskortingen. Het hof oordeelt, in lijn met de rechtbank, dat het premiedeel van de heffingskortingen terecht tijdsevenredig is verminderd en dat belanghebbende geen recht heeft op het volledige premiedeel. Belanghebbende beroept zich op het vertrouwensbeginsel. Bij het invullen van de online aangifte gaf het systeem aan dat ze geld terug zou krijgen. Dit beroep slaagt niet, omdat de uitkomst van het aangifteprogramma geen toezegging vormt en belanghebbende onjuiste gegevens heeft ingevuld door te stellen dat zij het hele jaar premieplichtig was. Ook de toelichting bij de inkomensverklaring kwalificerend buitenlands belastingplichtige ziet uitsluitend op belastingplicht en niet op premieplicht. Het hof acht de tekst hoogstens onduidelijk, maar geeft voorrang aan de uitleg die strookt met de wet. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt eveneens, omdat belanghebbende geen vergelijkbare gevallen heeft aangetoond waarin het premiedeel van de heffingskortingen volledig is verleend aan personen die daar geen recht op hadden. De Hoge Raad heeft reeds bevestigd (NTFR 2019/1381) dat tijdsevenredige berekening van het premiedeel niet strijdig is met Europees recht. Tot slot oordeelt het hof dat belanghebbende zelf premieplichtig is en dat de werkgever niet gehouden kan worden de extra premies te betalen.

(Hoger beroep ongegrond.)