Stakingswinst bij inbreng dierenartspraktijk in bv veel te laag berekend
Stakingswinst bij inbreng dierenartspraktijk in bv veel te laag berekend
Gegevens
- Nummer
- 2026/496
- Publicatiedatum
- 1 april 2026
- Auteur
- Redactie
- Rubriek
- Winst
- Relevante informatie
Belanghebbende exploiteert samen met zijn echtgenote en zoon een dierenartspraktijk via een maatschap. In 2020 ontvangt de maatschap een indicatief bod van een private-equitypartij voor overname van de praktijk, dat na onderhandelingen uitkomt op € 3.300.000 plus groeibetalingen . Uiteindelijk besluit de maatschap niet tot verkoop aan deze partij, maar brengt de praktijk ruisend in in nieuw opgerichte bv’s, waarbij belanghebbende en zijn familie de waarde van de onderneming stellen op € 545.051, waarvan € 400.000 goodwill. De aangifte IB/PVV 2020 is gebaseerd op deze waarde. In 2021 wordt de praktijk alsnog verkocht aan dezelfde private-equitypartij voor € 4.686.004 plus groeibetalingen. De inspecteur stelt dat de inbrengwaarde bij de bv-inbreng veel hoger had moeten zijn en corrigeert de stakingswinst op basis van de latere verkoopprijs.
In geschil is of de inspecteur terecht de goodwillwaarde per 8 december 2020 op € 4.686.004 heeft gesteld en een dienovereenkomstige stakingswinst in aanmerking heeft genomen. Tevens is in geschil of de vereiste aangifte is gedaan en of de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard.
De rechtbank oordeelt dat bij ruisende inbreng de waarde in het economische verkeer bepalend is, zijnde de prijs die de hoogstbiedende onder gunstige omstandigheden zou betalen. Het indicatieve bod van € 3.300.000 van de private-equitypartij, gedaan na kennisneming van relevante bedrijfsgegevens, vormt een objectieve maatstaf voor de waarde op de inbrengdatum. De door belanghebbende gehanteerde multiple-methode, die uitkomt op € 545.051, houdt onvoldoende rekening met groeipotentie en marktwaarde en is niet verdedigbaar. De rechtbank acht aannemelijk dat belanghebbende zich bewust had moeten zijn van het grote verschil tussen de aangiftewaarde en de objectieve marktwaarde, zodat niet de vereiste aangifte is gedaan en de bewijslast wordt omgekeerd en verzwaard.
De rechtbank stelt dat de aanslag niet naar willekeur mag worden vastgesteld, maar moet berusten op een redelijke schatting. De inspecteur heeft de waarde gebaseerd op de latere verkoopprijs, maar de rechtbank acht het aannemelijk dat de hogere prijs deels is veroorzaakt door het wegvallen van een concurrent na de inbrengdatum, wat de omzetverwachting verhoogde. De rechtbank schat daarom de waarde op de inbrengdatum op een lager bedrag, € 4.000.000.
(Beroep gegrond.)