Afwaardering onzakelijke lening bij bedrijfsoverdracht niet aftrekbaar
Afwaardering onzakelijke lening bij bedrijfsoverdracht niet aftrekbaar
Gegevens
- Nummer
- 2026/498
- Publicatiedatum
- 1 april 2026
- Auteur
- Redactie
- Rubriek
- Winst
- Relevante informatie
Belanghebbende exploiteert tot eind 2017 een supermarkt via een bv, waarvan hij directeur en enig aandeelhouder is. In 2012 verstrekt hij vanuit privé een lening aan de bv, die later wordt omgezet in een achtergestelde lening. Per 1 januari 2017 draagt de bv de onderneming over aan belanghebbende in privé, die deze voortzet als eenmanszaak. De overnamesom bedraagt € 445.170 negatief en dit bedrag staat als vordering op de balans van de eenmanszaak en als schuld op de balans van de vennootschap. De bv wordt eind 2017 geliquideerd. Belanghebbende waardeert de vordering op de bv in 2017 af en neemt het verlies op als ondernemingsverlies in box 1. De inspecteur corrigeert dit en brengt het verlies in box 2 in aanmerking. In geschil is of de afwaardering van de vordering op de bv ten laste van de winst uit onderneming of het resultaat uit overige werkzaamheden in box 1 kan worden gebracht, en of sprake is van een zakelijke lening. Het hof bevestigt het oordeel van de rechtbank dat de lening onzakelijk is en de afwaardering niet aftrekbaar is in box 1. Het hof overweegt dat belanghebbende bij de bedrijfsoverdracht akkoord is gegaan met het schuldig blijven van de negatieve koopsom zonder afspraken over aflossing, zekerheden of rente, terwijl de bv een aanzienlijk negatief eigen vermogen had en geen activiteiten meer voerde. Een onafhankelijke derde zou onder deze omstandigheden geen lening verstrekken. Belanghebbende heeft dus een debiteurenrisico genomen dat een derde niet zou aanvaarden. Ook een splitsing van de vordering in een oude en nieuwe lening leidt niet tot een ander oordeel. Het deel dat samenvalt met de bestaande schuld is door vermenging tenietgegaan, het resterende deel is eveneens onzakelijk. Het hof verwerpt het beroep op het vertrouwensbeginsel, omdat belanghebbende niet aannemelijk maakt dat toezeggingen zijn gedaan door de inspecteur.
(Hoger beroep ongegrond.)