Door ontbinding bv geniet buitenlands belastingplichtige te conserveren inkomen
Door ontbinding bv geniet buitenlands belastingplichtige te conserveren inkomen
Gegevens
- Nummer
- 2026/507
- Publicatiedatum
- 2 april 2026
- Auteur
- Redactie
- Rubriek
- Inkomensvoorzieningen en pensioenen
- Relevante informatie
Belanghebbende is een aanmerkelijkbelanghouder die vanaf 2002 tot eind 2021 in Zuid-Afrika woont en tot 2009 alle aandelen in een bv houdt, daarna 10%. De bv wordt in 2012 administratief doorgehaald in het handelsregister en in 2015 door de KvK ontbonden. Op de balans van de bv staan per 2009 en 2010 aanzienlijke vorderingen op belanghebbende en een pensioenvoorziening. Belanghebbende doet in 2016 een nihilaangifte IB over 2015, waarna de inspecteur na informatieverzoeken een aanslag IB oplegt wegens (fictieve) afkoop pensioenaanspraak (box 1) en dividend (box 2) bij ontbinding van de bv .
In geschil is of de aanslag IB 2015 terecht en naar het juiste bedrag is opgelegd, met name of sprake is van prijsgegeven pensioenvoorziening en dividend bij ontbinding van de bv. Het hof bevestigt het rechtbankoordeel dat de bv pas in 2015 is ontbonden en niet in 2012, omdat de administratieve doorhaling geen ontbinding is en de formele beschikking van de KvK in 2015 doorslaggevend is. Het feit dat bij emigratie geen conserverende aanslag is opgelegd, vormt geen ambtelijk verzuim en sluit heffing bij latere ontbinding niet uit; de inspecteur heeft binnen de wettelijke termijn gehandeld. Voor box 1 acht het hof aannemelijk dat de pensioenvoorziening op de balans van de bv niet is overgedragen aan een Zuid-Afrikaanse verzekeraar, maar bij ontbinding is prijsgegeven/verrekend met de schuld van belanghebbende aan de bv, zodat de waarde van € 63.672 in 2015 is genoten. Voor box 2 acht het hof aannemelijk dat de resterende vordering van de bv op belanghebbende als dividend is genoten, aangezien de winstreserves voldoende waren en belanghebbende geen tegenbewijs heeft geleverd. Het inkomen uit aanmerkelijk belang wordt (na verrekening van de pensioenvoorziening en verkrijgingsprijs aandelen) vastgesteld op € 640.925.
(Hoger beroep gegrond.)