Belgische winstvrijstelling is volgens A-G HvJ staatssteun

Belgische winstvrijstelling is volgens A-G HvJ staatssteun

Gegevens

Nummer
2026/511
Publicatiedatum
3 april 2026
Auteur
Redactie
Rubriek
Internationaal en Europees
Relevante informatie

In de periode van 2004 tot en met 2014 heeft de Belgische voor fiscale rulings bevoegde autoriteit op grond van art. 185 § 2 onder b WIB 92 door middel van 66 beslissingen de in België belastbare winst verlaagd voor 55 in België gevestigde vennootschappen die tot multinationale groepen behoorden. Tot de adressanten van deze beslissingen behoorden ook Soudal NV en Esko-Graphics BVBA (belastingplichtigen). In dit verband heeft de bevoegde autoriteit zich op verzoek van de belastingplichtigen niet gebaseerd op zelf vastgestelde verrekenprijzen, maar de winst van de Belgische vennootschappen vergeleken met de gemiddelde winst van een vergelijkbare standalone-vennootschap. Het resultaat van deze vergelijking was een percentage dat het verschil uitdrukte tussen de werkelijke winst van de belastingplichtigen en de hypothetische gemiddelde winst van een standalone-vennootschap. Ten belope van dit percentage werd de winst in de daaropvolgende vijf jaar niet belast. Op verzoek van de belastingplichtigen veranderden dus de aard en de hoogte van de belastbare grondslag, doordat niet langer de concreet behaalde winst (die de werkelijke draagkracht volgens het Belgische belastingrecht weerspiegelt) als belastbare grondslag diende, maar alleen een verlaagde winst (belastingpraktijk). Volgens de Europese Commissie was bij de door de bevoegde Belgische autoriteit bij deze belastingpraktijk toegekende winstverminderingen sprake van een steunmaatregel van de staat in de zin van art. 107 lid 1 VWEU. Verschillende vennootschappen, waaronder belastingplichtigen, hebben beroepen tot nietigverklaring ingesteld tegen het besluit van de Commissie. Het Gerecht heeft deze beroepen verworpen. Vervolgens hebben belastingplichtigen een hogere voorziening bij het HvJ ingesteld. A-G Kokott heeft een conclusie genomen. Volgens de A-G heeft het Gerecht terecht geoordeeld dat de (betwiste) belastingpraktijk geen deel uitmaakte van het referentiekader voor de Belgische vennootschapsbelasting. Volgens de A-G is de (betwiste) belastingpraktijk zodanig opgezet dat zij de begunstigden de keuze laat om over te stappen van een belasting over de concreet behaalde winst (die de werkelijke draagkracht weerspiegelt) naar een belasting op basis van de hypothetische gemiddelde winst van een standalone-vennootschap. Hieruit volgt, volgens de A-G, dat belastingplichtigen die deel uitmaken van een multinationale groep, de keuze hebben om over een bepaald deel van hun daadwerkelijk behaalde winst geen vennootschapsbelasting te betalen. Deze keuze wordt niet toegekend aan een standalone-vennootschap. Aangezien de belastingverlaging niet op dezelfde wijze openstaat voor alle belastingplichtigen, maar alleen voor Belgische entiteiten van multinationale groepen, heeft het Gerecht, volgens de A-G, geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de (betwiste) belastingpraktijk ondernemingen verschillend behandelt die zich, gelet op de met de algemene regeling nagestreefde doelstelling van uniforme winstbelasting op basis van de draagkracht, in een vergelijkbare feitelijke en juridische situatie bevinden.