Recreatiechalet op bospark kwalificeert als onroerende zaak voor de overdrachtsbelasting

Recreatiechalet op bospark kwalificeert als onroerende zaak voor de overdrachtsbelasting

Gegevens

Nummer
2026/528
Publicatiedatum
7 april 2026
Auteur
Redactie
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2026:1980
Rubriek
Belastingen van rechtsverkeer
Relevante informatie

Belanghebbende en zijn echtgenote kopen in 2021 samen een stuk grond met daarop een chalet op een recreatiepark. Het chalet is voorzien van assen, wielen en een trekstang, en wordt in de notariële akte aangeduid als een mobiele opstal voor recreatief gebruik. Zij voldoen bij de aankoop overdrachtsbelasting over het gronddeel, stellende dat het chalet een roerende zaak is en dus niet belast. De inspecteur legt een naheffingsaanslag op, omdat het chalet een onroerende zaak is en dat ook hierover overdrachtsbelasting verschuldigd is. In geschil is of het chalet als roerende of onroerende zaak moet worden aangemerkt voor de toepassing van Wet BRV. De rechtbank overweegt dat het begrip ‘onroerende zaak’ in Wet BRV wordt ingevuld naar burgerlijk recht, en verwijst naar art. 3:3 BW en het Portacabin-arrest van de Hoge Raad. De rechtbank beoordeelt de feiten en omstandigheden van het chalet. Het staat sinds 2009 op dezelfde plek, is tot aan de grond afgewerkt, heeft een permanente voortent, is aangesloten op nutsvoorzieningen en is objectief bestemd om duurzaam ter plaatse te blijven. De rechtbank acht het aannemelijk dat het chalet naar aard en inrichting bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven, ondanks de technische mogelijkheid tot verplaatsing. De opstal kwalificeert daarom als onroerende zaak in de zin van art. 3:3 BW en behoort tot de heffingsmaatstaf voor overdrachtsbelasting. Ter zitting zijn partijen het eens dat een deel van de koopprijs ziet op roerende zaken. De inspecteur schat dit op € 500, wat door de rechtbank wordt gevolgd.

(Beroep gegrond.)