IT‑storing is onvoldoende onderbouwd, zodat legesaanslag niet kan worden nagevorderd
IT‑storing is onvoldoende onderbouwd, zodat legesaanslag niet kan worden nagevorderd
Gegevens
- Nummer
- 2026/531
- Publicatiedatum
- 7 april 2026
- Auteur
- Redactie
- Rubriek
- Formeel belastingrecht
- Relevante informatie
Belanghebbende dient in 2017 een aanvraag omgevingsvergunning in voor de bouw van een productiehal. De vergunning wordt eind 2017 verleend en begin 2018 gepubliceerd in het gemeenteblad. De Omgevingsdienst Rivierenland (ODR) stuurt in maart 2021 een legesbrief aan de heffingsambtenaar waarin de verschuldigde leges worden vermeld. In oktober 2021 legt de heffingsambtenaar een navorderingsaanslag leges op. Eerder zijn ook legesbrieven verstuurd door ODR, maar het is onduidelijk of dit voor deze vergunning is gebeurd. In geschil is of de heffingsambtenaar op grond van art. 16 AWR bevoegd is tot navordering van leges. De hoogte van de navorderingsaanslag is niet in geschil en belanghebbende is niet te kwader trouw. Het hof oordeelt, anders dan de rechtbank, dat de heffingsambtenaar niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een navordering rechtvaardigend nieuw feit. De heffingsambtenaar stelt dat een adviesbrief op 9 januari 2018 door een computerstoring niet is verzonden, maar het hof vindt deze stelling onvoldoende onderbouwd. De overgelegde e-mail uit 2024 laat in het midden of de storing daadwerkelijk verzending heeft verhinderd en of het betreffende bericht tot de niet-verstuurde berichten behoorde. De heffingsambtenaar heeft geen kopie van de advies- of legesbrief ingebracht en het is niet verifieerbaar dat deze door de storing niet is verzonden. Ook is niet duidelijk wie of hoe is ontdekt dat geen aanslag is opgelegd en de overgang naar een nieuw administratiesysteem bij ODR maakt het ontbreken van relevante gegevens problematisch. Het hof acht dit voor rekening van de heffingsambtenaar. De publicatie van de vergunning in het gemeenteblad maakt verzending van een legesbericht na 4 januari 2018 niet aannemelijk. Het hof concludeert dat de heffingsambtenaar niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij voor het verstrijken van de aanslagtermijn niet beschikte over de benodigde informatie, zodat geen sprake is van een nieuw feit. Ook navordering op grond van art. 16 lid 2 onder c AWR is niet mogelijk, omdat geen besluit tot het niet opleggen van een aanslag is genomen.
(Hoger beroep gegrond.)