Geen bedrijfsopvolgingsvrijstelling bij uitgifte aandelen in vastgoed-bv
Geen bedrijfsopvolgingsvrijstelling bij uitgifte aandelen in vastgoed-bv
Gegevens
- Nummer
- 2026/548
- Publicatiedatum
- 9 april 2026
- Auteur
- Redactie
- Rubriek
- Belastingen van rechtsverkeer
- Relevante informatie
Belanghebbende exploiteert samen met zijn echtgenote een zorgboerderij in vof-verband. De moeder van belanghebbende treedt toe tot de vof en brengt onder meer het gebruiksrecht van de onroerende zaak in, maar niet de juridische eigendom. Vanaf 2021 is zij voor 20% gerechtigd tot het resultaat van de vof. Op 2 juni 2021 richt de moeder een bv op, brengt haar aandeel in de vof en de juridische eigendom van de onroerende zaak in, en ontvangt daarvoor aandelen in de bv. Belanghebbende verkrijgt op dezelfde dag 21,53% van de aandelen in de bv door storting van € 166.000. De inspecteur legt een naheffingsaanslag overdrachtsbelasting op wegens de verkrijging van de aandelen, zonder toepassing van de bedrijfsopvolgingsvrijstelling (BOV). In geschil is of de bv kwalificeert als onroerendezaaksrechtspersoon (OZR) in de zin van art. 4 WBRV en of de BOV van art. 15 lid 1 letter b WBRV van toepassing is. Het hof oordeelt, in navolging van de rechtbank, dat de bv een OZR is omdat aan de bezitseis en de doeleis van art. 4 WBRV is voldaan. De doeleis vereist dat de onroerende zaak hoofdzakelijk dienstbaar is aan het exploiteren van onroerende zaken. Het hof verwerpt het standpunt van belanghebbende dat alleen sprake is van exploitatie bij een vooraf vastgestelde vergoeding (huur of pacht). Ook het ter beschikking stellen van een onroerende zaak tegen een winstafhankelijke vergoeding kwalificeert als exploitatie in de zin van art. 4 WBRV. De verwijzing naar kennisgroepstandpunten en een ingetrokken beleidsbesluit leidt niet tot een ander oordeel. Ten aanzien van de BOV overweegt het hof dat deze niet van toepassing is bij uitgifte van aandelen door de bv. De doorkijkarresten van de Hoge Raad zijn alleen relevant bij overdracht van aandelen door een natuurlijk persoon aan een verwant, niet bij uitgifte van nieuwe aandelen door de bv zelf. De situatie van belanghebbende wijkt wezenlijk af van de casusposities in de doorkijkarresten, zodat de vrijstelling niet kan worden toegepast. Dat door uitgifte van aandelen sprake is van verwatering bij de moeder als aandeelhouder, doet daar niet aan af.
(Hoger beroep ongegrond.)