Geldigheidsduur beschikking 30%-regeling rechtmatig verkort door wetgever

Geldigheidsduur beschikking 30%-regeling rechtmatig verkort door wetgever

Gegevens

Nummer
2026/567
Publicatiedatum
13 april 2026
Auteur
Redactie
ECLI
ECLI:NL:HR:2026:565
Rubriek
Arbeid, loon en resultaat
Relevante informatie

Belanghebbende, een in Nederland gevestigde werkgever, heeft in april 2017 een Franse werknemer in dienst genomen en op gezamenlijk verzoek met de werknemer de 30%-regeling aangevraagd. De inspecteur heeft bij beschikking van juli 2017 toepassing van de regeling toegestaan voor de periode van 1 april 2017 t/m 31 januari 2024, onder het uitdrukkelijke voorbehoud van toekomstige wetswijzigingen. Met ingang van 1 januari 2019 is de maximale looptijd van de regeling verkort van acht tot vijf jaar. Voor beschikkingen met een einddatum in of na 2024 gold dat de looptijd met drie jaar werd verkort. Voor de werknemer van belanghebbende betekende dit dat de regeling eindigde per 31 januari 2021. Vanaf februari 2021 paste belanghebbende de regeling niet langer toe en droeg zij over het volledige brutoloon loonheffing af. Zij maakte vervolgens bezwaar en stelde beroep in tegen de ontoepasselijkheid van de regeling. In geschil is of de verkorting van de looptijd van de 30%-regeling ook van toepassing is op de werknemer van belanghebbende, zodat de toepassing vanaf februari 2021 terecht is beëindigd.

Hof Amsterdam (22 juli 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:1998, NTFR 2025/1453) heeft geoordeeld dat de verkorting ingevolge de wetswijziging rechtmatig is en dat belanghebbende de regeling niet meer mocht toepassen. De wettelijke verkorting is neergelegd in art. 31a Wet LB en art. XIV Belastingplan 2019 en geldt daarmee ook voor bestaande gevallen. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat de wetgever uitdrukkelijk rekening heeft gehouden met de gevolgen voor lopende beschikkingen; zelfs is beslist tot invoering van een beperkte overgangsregeling. De rechter mag een wet in formele zin niet toetsen aan algemene rechtsbeginselen tenzij sprake is van buitengewone omstandigheden die de wetgever niet heeft verdisconteerd. Daarvan is hier geen sprake. Ook het beroep op art. 1 EP EVRM faalt; toekomstige loonvoordelen vormen geen eigendom in de zin van deze bepaling en bovendien bevatte de beschikking een expliciet voorbehoud voor wetswijzigingen. De inmenging door de beperking van de regeling valt binnen de ruime beoordelingsvrijheid van de wetgever. Van verboden discriminatie is geen sprake; het ontbreken van eerbiedigende werking voor een deel van de bestaande gevallen leidt niet tot een ongerechtvaardigd onderscheid. Ten slotte heeft het hof opgemerkt dat geen nieuwe beschikking nodig was, nu de verkorting rechtstreeks uit de wet voortvloeit.

De Hoge Raad heeft het ingestelde cassatieberoep ongegrond verklaard onder verwijzing naar HR 13 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:123, NTFR 2026/296, r.o. 4.1.2 t/m 4.4.