Provisiebetalingen voor schijntransacties vastgoed aangemerkt als ROW

Provisiebetalingen voor schijntransacties vastgoed aangemerkt als ROW

Gegevens

Nummer
2026/599
Publicatiedatum
16 april 2026
Auteur
Redactie
ECLI
ECLI:NL:RBNHO:2025:15824
Rubriek
Arbeid, loon en resultaat
Relevante informatie

Belanghebbende is voormalig bestuurder en commissaris van een bv die actief is in vastgoedbeheer en projectontwikkeling. In 2008 en 2009 ontvangt hij in totaal € 360.000 van een dga van een gelieerde vennootschap, onder het mom van de verkoop van een schilderij. Uit strafrechtelijk onderzoek en de uitspraak van hof Amsterdam blijkt dat deze betalingen in werkelijkheid provisiebetalingen zijn voor werkzaamheden in het kader van vastgoedtransacties. De koopovereenkomst is als schijntransactie gebruikt om steekpenningen te verhullen. Het hof stelt de waarde van het schilderij op € 15.000 en het wederrechtelijk verkregen voordeel op € 345.000. De ontnemingsvordering wordt later op nihil gesteld vanwege een schadevergoedingsverplichting jegens de benadeelde partij. In geschil is of de navorderingsaanslagen IB/PVV terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd, met name over de hoogte van het resultaat uit overige werkzaamheden en de mogelijkheid tot aftrek van advocaatkosten. De rechtbank oordeelt dat de inspecteur terecht de provisiebetalingen als resultaat uit overige werkzaamheden heeft aangemerkt, conform de strafrechtelijke vaststellingen. De waarde van het schilderij is voldoende onderbouwd door hof Amsterdam. Taxaties van andere schilderijen zijn niet relevant voor de waardebepaling van het betreffende werk. Voor het jaar van genieten geldt dat het kasstelsel en goed koopmansgebruik niet in de weg staan aan het toerekenen van de betalingen aan het jaar van ontvangst. Er is geen reden om het vorderingenstelsel toe te passen of om alle betalingen aan 2008 toe te rekenen. De rechtbank verwerpt het standpunt dat een voorziening voor advocaatkosten mag worden gevormd, omdat ultimo 2008 en 2009 geen redelijke mate van zekerheid bestond over de toekomstige verplichtingen. Bovendien zijn deze kosten uitgesloten van aftrek op grond van art. 3.14 lid 1 aanhef en onder d Wet IB 2001. De stelling dat een betaling van € 50.000 pas in 2009 is ontvangen, mist feitelijke grondslag. Ten slotte acht de rechtbank niet aannemelijk dat sprake is van een individuele en buitensporige last in de zin van art. 1 EP EVRM, nu belanghebbende geen inzicht heeft gegeven in de fiscale uitwerking van de schadevergoeding en eventuele verliesverrekening.

(Beroep ongegrond.)