Procesgedrag gemachtigde geen reden voor langer procederen, wel immateriële schade bij massale procedure

Procesgedrag gemachtigde geen reden voor langer procederen, wel immateriële schade bij massale procedure

Gegevens

Nummer
2026/727
Publicatiedatum
11 mei 2026
Auteur
Redactie
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2025:3894
Rubriek
Formeel belastingrecht
Relevante informatie

Belanghebbende is eigenaar van acht onroerende zaken waarvan de WOZ-waarde voor 2021 is vastgesteld. De bezwaren tegen deze beschikkingen zijn niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard, maar een vergoeding voor immateriële schade toegekend van € 50 wegens overschrijding van de redelijke termijn en een proceskostenvergoeding van € 218,75. Belanghebbende stelt in hoger beroep dat de vergoeding voor immateriële schade en proceskosten te laag is. De vraag is of het procesgedrag van zijn ncnp-gemachtigde tot vertraging leidt en vraagt om generieke verlenging van de redelijke termijn van twee naar drie jaar. In geschil is of de door de rechtbank toegekende vergoedingen voor immateriële schade en proceskosten correct zijn. Het hof oordeelt, anders dan de rechtbank, dat het procesgedrag van de gemachtigde geen reden is om de redelijke termijn generiek te verlengen in alle zaken waarin deze gemachtigde optreedt. Het hof stelt dat volgens vaste jurisprudentie spanning en frustratie bij belanghebbenden wordt verondersteld bij overschrijding van de redelijke termijn, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden die in de individuele procedure moeten worden vastgesteld. Het algemene procesgedrag van de gemachtigde, zoals het indienen van veel zaken en beperkte beschikbaarheid voor zittingen, kan niet zonder individuele toetsing worden toegerekend aan alle procedures. Het hof verwijst naar recente uitspraken van de Hoge Raad, waaruit volgt dat generieke verlenging alleen mogelijk is bij concrete vertraging in de individuele zaak. De door de heffingsambtenaar aangevoerde 22 punten over het procesgedrag van de gemachtigde rechtvaardigen geen generieke verlenging, omdat niet is aangetoond dat deze in de individuele procedure tot vertraging hebben geleid. Het hof stelt de vergoeding voor immateriële schade in beroep vast op € 231 en de proceskostenvergoeding op € 453,50, conform de recente Hoge Raad-jurisprudentie. Het verzoek om immateriëleschadevergoeding in hoger beroep wordt afgewezen, omdat het hof binnen de redelijke termijn uitspraak doet.

(Hoger beroep gegrond.)