Verhoging bijtelling elektrische auto geen schending art. 1 EP EVRM

Verhoging bijtelling elektrische auto geen schending art. 1 EP EVRM

Gegevens

Belanghebbende is in 2020 werkzaam in dienstbetrekking en krijgt van zijn werkgever een elektrische auto ter beschikking, besteld in april 2019 en geleverd in mei 2020. De werkgever past bij de loonheffingen over 2020 een bijtelling van 8% toe conform het per 1 januari 2020 verhoogde bijtellingspercentage voor nulemissieauto’s. Belanghebbende corrigeert in zijn aangifte het bijtellingspercentage naar het oude tarief van 4%, omdat hij vóór de aankondiging van de verhoging reeds een onomkeerbare verplichting tot aanschaf is aangegaan. De inspecteur wijkt hiervan af en legt de aanslag op naar het hogere bijtellingspercentage. De rechtbank oordeelt dat de verhoging van het bijtellingspercentage per 1 januari 2020 op stelselniveau in strijd is met art. 1 EP EVRM, nu de wetgever geen overgangsrecht heeft getroffen voor belastingplichtigen die vóór de aankondiging van de verhoging reeds onomkeerbare verplichtingen zijn aangegaan.

In geschil is of de verhoging van het bijtellingspercentage per 1 januari 2020 voor elektrische auto’s een onaanvaardbare inbreuk vormt op art. 1 EP EVRM.

Het hof oordeelt, anders dan de rechtbank, dat de verhoging van het bijtellingspercentage geen schending van art. 1 EP EVRM oplevert. Het hof stelt dat uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat de gevolgen voor de groep belastingplichtigen die vóór de aankondiging van de verhoging een auto hebben besteld, wel degelijk zijn besproken en meegewogen. De wetgever heeft bewust gekozen voor een snelle invoering van de maatregel om oversubsidiëring te voorkomen en de stimulering van elektrische auto’s te richten op de tweedehandsmarkt, waarbij uitvoerbaarheid voor de Belastingdienst een doorslaggevende factor was. Het hof verwijst naar HR 29 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:121, NTFR 2016/547 en HR 13 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:589, NTFR 2018/934 en benadrukt dat belastingplichtigen in het algemeen niet mogen verwachten dat belastingwetgeving ongewijzigd blijft. Er bestaat geen grond om in dit geval van dat uitgangspunt af te wijken. De wetgever is niet buiten zijn ruime beoordelingsmarge getreden door geen overgangsregeling te treffen voor de groep die vóór de aankondiging verplichtingen is aangegaan. Belanghebbende wordt bovendien niet getroffen door een individuele en buitensporige last.

(Hoger beroep gegrond.)