Beperking proceskostenvergoeding in WOZ-zaak, omdat gemachtigde niet bewijs levert dat hij geen no-cure-no-paybureau is

Beperking proceskostenvergoeding in WOZ-zaak, omdat gemachtigde niet bewijs levert dat hij geen no-cure-no-paybureau is

Gegevens

Nummer
2026/685
Publicatiedatum
1 mei 2026
Auteur
Redactie
ECLI
ECLI:NL:HR:2026:732
Rubriek
Formeel belastingrecht
Relevante informatie

In onderhavige WOZ-procedure heeft de Hoge Raad in zijn tussenarrest van 27 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:297, NTFR 2026/399 beslist dat de hofuitspraak niet in stand kan blijven. Voor de vergoeding van proceskosten voor de cassatieprocedure is in art. 30a Wet WOZ bepaald dat een vermenigvuldigingsfactor van 0,10 moet worden toegepast. In zijn arrest van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46, NTFR 2025/177) heeft de Hoge Raad echter geoordeeld dat deze beperking van de proceskostenvergoeding alleen geldt voor de zogenoemde no-cure-no-paybureaus waarvan het bedrijfsmodel voldoet aan drie kenmerken. Om die reden heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 27 februari 2026 belanghebbende in de gelegenheid gesteld om te bewijzen dat zijn gemachtigde Gieben niet als een dergelijk bureau kan worden aangemerkt. Belanghebbende heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt. Volgens de Hoge Raad is belanghebbende daarmee niet in de op hem rustende bewijslast geslaagd, zodat in dit eindarrest de proceskostenvergoeding voor de cassatieprocedure is vastgesteld op 0,10 x € 934 x 2 punten (cassatieberoepschrift) x 1,5 (gewicht in cassatie), oftewel € 281.

(Volgt gegrondverklaring.)