NTFR 2026/756 - Belastingen en de kunst van het bullshitten

NTFR 2026/756 - Belastingen en de kunst van het bullshitten

1. Inleiding

Gustave Flaubert (1821-1880) stelde ooit voor de grap een Dictionnaire des idées reçues samen: een woordenboek van pasklare ideeën die hij om zich heen hoorde in het Parijs van het ‘Second Empire’. In de handen van een briljant schrijver is dat een ironische ontmaskering van burgerlijke gemeenplaatsen, maar in minder begaafde handen kan het schadelijk voor de ‘sensus communis’ worden. Het cliché kantelt dan van amusante platitudes naar politieke munitie. Wie herinnert zich niet de achteloze verwijzing naar ‘voorrang voor statushouders’, ‘nareis op nareis’ of een ‘linkse adviesclub’ bij de Raad van State? Zoals bij alle pasklare beweringen: de formule is steeds krachtiger dan de feitelijke onderbouwing.

Flaubert raakt aan iets dat de Amerikaanse filosoof Harry Frankfurt (1929-2023) in zijn inmiddels klassieke essay On Bullshit (1986) scherp heeft uitgewerkt: taalkundige bullshit. De bullshitter, zo stelt Frankfurt, verschilt van de leugenaar. De leugenaar heeft nog een relatie tot de waarheid: hij wil haar verdraaien en de toehoorder beduvelen. De bullshitter staat onverschillig tegenover de waarheid. Waar of onwaar is bijzaak, het gaat om het effect. Precies daarom is bullshit gevaarlijker dan de leugen: hij maakt de waarheid irrelevant en ondermijnt ons vertrouwen in de oprechtheid van de spreker. Dat hoeft overigens geen belemmering te vormen om tot tweemaal toe president van de Verenigde Staten te worden.

Doordat we leven in een ‘attention economy’, met onze aandacht als schaarse grondstof, wordt ons blikveld bepaald door clickbaits en algoritmes, en daardoor wordt ons meer bullshit verkocht dan ooit tevoren.1 Bullshitten gebeurt helaas niet alleen in de krochten van het internet. Het gebeurt net zo goed op klaarlichte dag, open en bloot, in gelikte position papers en impactanalyses, enzovoorts. Het zelfvertrouwen ervan laat zelfs de meest geharde lezer niet onberoerd voor zover hij de maalstroom aan doelredeneringen er niet onmiddellijk in herkent en de hele boel doorprikt als gebakken lucht op krukkige premissen.

In deze Opinie gebruiken wij Frankfurt als kapstok om een ongemakkelijke constatering te doen: ook het fiscale debat is niet vrij van bullshit. Niet omdat er massaal gelogen of opgelicht wordt, maar omdat het gesprek zo wordt ingekleed dat cijfers, empirische onderbouwing en semantische precisie hun bindende kracht verliezen. Wij beginnen met een korte schets van Frankfurts analyse en plaatsen die in de bredere context van vaagheid (Black), gebruik van taal (Wittgenstein) en spanning tussen gemeenschap en eigendom (Esposito). Aan de hand van drie casussen illustreren we hoe framing en mistvorming het fiscale debat kunnen gijzelen. Wij sluiten af met een pleidooi voor semantische helderheid en intellectuele hygiëne: wie het debat serieus neemt, zal eerst de kunst van het bullshitten moeten leren herkennen en waar nodig afleren.

2. Vaagheid, valsspelen en de rede

2.1. Semantische vaagheid

Frankfurt bespreekt een onderwerp dat daarvoor vrijwel geen aandacht heeft gekregen. Alleen het essay The Prevalence of Humbug van Max Black (1909-1988) behandelt soortgelijke materie, waarbij de term humbug wellicht wat vriendelijker (en Britser) overkomt dan de botter geformuleerde Amerikaanse evenknie, maar geen materieel verschil hiermee lijkt te bevatten.2 Black was een wiskundige en studeerde aan de universiteit van Cambridge terwijl ook Wittgenstein daar rondliep. Zijn vertaling van het werk over de filosofische wiskundige logica van Frege werd later een standaardtekst.3 Daarnaast hield Black zich ook nog bezig met het begrip ‘vaagheid’, dat verwantschap kent met humbug en bullshit en niet irrelevant lijkt in deze context.4 Vaagheid is echter geen humbug of bullshit, hoewel die twee wel vaak vaag zijn, en houdt zich meer bezig met zaken zoals de ‘sorites paradox’, waarbij men zich afvraagt wanneer een hoop zand ophoudt een hoop te zijn als men consistent een enkele zandkorrel wegneemt.

Wat Frankfurt meeneemt van Black, zijn onderdelen van de definitie van humbug/bullshit, die Black als volgt voorstelt: ‘Misleidende voorstelling van zaken, zonder te liegen, vooral door pretentieuze woorden of daden, van iemands eigen gedachten, gevoelens of houdingen.’5 Frankfurt ontleent aan deze definitie, aangevuld met zijn eigen overwegingen, de volgende drie essentiële kenmerken van bullshit: (1) bullshit is niet direct of definitief maar wel bijna een leugen, (2) bullshit is een verkeerde voorstelling van de werkelijkheid, en (3) bullshit kent een gebrek aan aandacht voor de waarheidswaarde van het gestelde. Frankfurt brengt dergelijke baarlijke nonsens dan ook in verband met gebakken lucht en een meer letterlijke betekenis:

‘There are similarities between hot air and excrement, incidentally, which make hot air seem an especially suitable equivalent for bullshit. Just as hot air is speech that has been emptied of all informative content, so excrement is matter from which everything nutritive has been removed. Excrement may be regarded as the corpse of nourishment, what remains when the vital elements in food have been exhausted.’6

Black beperkt de categorie bullshit niet enkel tot taal, maar laat de daad ook binnen het bereik hiervan vallen.7 In de vaderlandse politieke context komt het begrip van de ‘symboolpolitiek’ hier wellicht bij de actieve humbug in de vorm van handelen in de buurt. Daarnaast kunnen woorden die overduidelijk losgezongen zijn van de feiten, zoals het door Frankfurt aangehaalde voorbeeld van een politicus die hyperbolisch oreert over de glorieuze vaderlandse geschiedenis,8 ook tot het doel dienen de spreker in de ogen van het publiek te identificeren met een bepaald thema of een bepaalde persoon (in Blacks voorbeeld de ‘patriot’).

Als we de eerdergenoemde sorites paradox er weer bij pakken, waarbij het wegnemen van een korrel zand van een hoop op een bepaald moment ervoor zorgt dat de hoop geen hoop meer is, en we voegen deze samen met de drie principes van Frankfurt, dan doemen er diverse fiscale parallellen op. Men kan zich natuurlijk afvragen wanneer een fiscale regeling of een fiscaal begrip, ooit begonnen met een bepaald doel en vanuit een bepaalde definitie, van kleur is gewijzigd.

De voorvechter van ‘het vestigingsklimaat’ kan zich afvragen wat het effect is van al die bij elkaar opgetelde wijzigingen door het jaar heen. Het lastige is dat het maken van het statement dat de zandhoop geen zandhoop meer is, eigenlijk een zeer gedetailleerde reconstructie van de deconstructie van de hoop vergt voordat men deze op het waarheidsgehalte kan beoordelen, iets waarvoor men dikwijls geen tijd heeft dan wel waarvoor de wetenschappelijke basis ontbreekt. Statements rondom dit onderwerp, zowel bij de voorvechters als de tegenstanders, voelen al snel aan als bullshit, nu de startpositie een dusdanig gedetailleerde reconstructie van de zandkorrelverschuiving vergt dat men nooit toekomt aan de kern. Het woord ‘vestigingsklimaat’ verliest daarbij eigenlijk de waarde als waarheid/startpositie en krijgt de vorm van stellingname: de reactie die het woord opwekt, is eerder een bevestiging van de vooraf ingenomen dispositie van de toehoorder (dan wel voor of tegen ‘het vestigingsklimaat’). Het spelen met die predispositie van het publiek voor het overbrengen van een eigen mening komt snel in de buurt van bullshit, nu men kan inspelen op de toehoorders. Zoals verderop duidelijk zal worden, zijn er nog veel meer van dit soort dossiers te herkennen in het fiscale debat.

2.2. Valsspelen in het taalspel

Wie een nog grotere hekel aan bullshit gehad moet hebben dan Frankfurt of wij, is Ludwig Wittgenstein (1889-1951). De anekdotes over zijn botheid jegens bullshit debiterende sprekers zijn talrijk en ook Frankfurt bespreekt hiervan een kleurrijk voorbeeld.9

Vanuit de late Wittgenstein kwalificeert bullshit als semantisch valsspelen. In zijn Filosofische onderzoekingen beschrijft hij taal immers niet primair als een systeem van waarheid dragende proposities (taal als representatie van de wereld), maar als een verzameling ‘taalspelen’, verbale activiteiten die bestaan bij de gratie van allerlei conventies10 die zijn ingebed in veelkleurige sociale praktijken.11 Binnen zo’n taalspel hebben woorden betekenis doordat zij op een herkenbare manier worden gebruikt: betekenis is geen abstracte relatie tussen woord en object, want de betekenis van een woord is zijn gebruik in de taal.12 Frankfurt sluit voor het identificeren van bullshit ook bij Wittgenstein aan wat betreft het losjes omspringen met de waarheid.13 Luiheid met taal in het omschrijven van de werkelijkheid krijgt een verwijtbaar karakter als men niet eens poogt aan te sluiten bij de werkelijkheid.14

Het functioneren van een wetenschappelijke discussie, ook een fiscaal debat, berust daarom op impliciete regels en afspraken over hoe begrippen worden gebruikt, hoe argumenten worden opgebouwd en wat binnen het discours als een aanvaardbare rechtvaardiging geldt.15 Bullshit in de zin van Frankfurt kan in dat perspectief worden opgevat als een vorm van valsspelen binnen het taalspel. De spreker gebruikt het jargon van het vakgebied, maar zonder zich werkelijk te bekommeren om de regels die hun gebruik betekenis geven. Het resultaat is niet zozeer een onware uitspraak, maar een uitspraak die de regels van het taalspel zelf ondermijnt. Dit sluit aan bij Wittgensteins analyse van ‘regel volgen’: een regel volgen is geen puur innerlijke handeling, maar een praktijk die door de gemeenschap wordt gedragen.16

Wie de terminologie van een vakgebied inzet zonder zich aan het discours te committeren, doet alsof hij een regel volgt terwijl hij feitelijk buiten het spel opereert. Bullshit is het naar het uiterlijk imiteren van het taalspel van de wetenschap, maar zonder de interne (methodologische) discipline. Juist daarom is bullshit in academische debatten vaak moeilijk te doorgronden: de woorden lijken correct gebruikt, terwijl het spel zelf ongemerkt wordt verlaten en de toehoorder bespeeld is. Het hiervoor beschreven debat rondom het fiscale vestigingsklimaat lijdt onzes inziens daaraan. Aan allerlei impliciete regels committeert men zich niet, zonder deze expliciet te verwerpen en voor zover de empirische onderbouwing en consistente begripsafbakening ontbreken of aannames en feiten selectief gepresenteerd worden.17 De spreker waagt het erop dat de toehoorder erin tuint door over ‘robuuste wetgeving’, ‘regeldruk’ of ‘zwalkend beleid’ te spreken:18 formuleringen zo glad dat iedereen tot instemming geneigd is, en juist daarom semantisch volstrekt leeg. Voor zover Frankfurt bullshit in verband brengt met bluffen,19 kan men vanuit Wittgenstein net zo goed spreken van het spelen van blufpoker: de beweringen zijn niet direct onwaar, maar wel vals, leeg of nep.20

2.3. De gemeenschap, eigendom en intellectuele luiheid

Het politiek mobiliseren van het gevoel van de toehoorder is inmiddels zo normaal geworden dat het soms tot in de wettekst is doorgedrongen. Extra verwarring wordt gezaaid door de apolitieke presentatie van politiek, ook wel aangeduid als de ‘post-ideologie’.21 Hiervoor moeten we eerst een korte omweg afleggen naar het begin van de ‘moderniteit’. Bij het bespreken van het begrip eigendom in het werk van Roberto Esposito,22 een Italiaans filosoof, schetst de Britse rechtstheoreticus Stone het moderne dispositief ten aanzien van bezit.23 In brede stroken stelt hij dat eigendom een definiërende functie van vrijheid heeft aangenomen sinds de 18e eeuw. Hij illustreert dat aan de hand van Locke (‘every man has a property in his own subject’, men is eigenaar van zichzelf en bij extensie daarvan van wat men bewerkt of maakt24), Hegel (het subject kan in bezit, in de reflectie van wat het object zegt over de bezitter, zichzelf verwezenlijken25) en Kant (het begrip vrijheid is incompleet als het niet de mogelijkheid tot bezit, zonder de rechten van anderen in de weg te zitten, omvat26).

Het moderne subject constitueert en realiseert zichzelf aan de hand van eigendom; in de woorden van Stone: ‘het subject is omdat het heeft’27. Het maken van een inbreuk op de eigendom van de persoon is de moderne politieke doodzonde. De staat kan desondanks niet zonder middelen. Dit spel wordt door Esposito geplaatst in het kader van ‘gemeenschap’ en ‘immuniteit’. Voor het scheppen van een gemeenschap is altijd een bepaalde mate van immuniteit nodig: soevereiniteit plaatst een hek om de staatsgemeenschap en immuniseert die van de rest van de wereld, eigendom om de persoonlijke gemeenschap van goederen. Eigendom is een bestaansvoorwaarde voor belastingheffing, maar dus ook een afsluiting van de gemeenschap. Immuniteit (eigendom) is nodig voor zelfverwezenlijking en ontplooiing. Gemeenschap, voor Esposito voornamelijk te herkennen aan de ‘plicht’ jegens een ongedefinieerde ander,28 schept de bredere voorwaarden voor het systeem waarin die ontplooiing kan plaatsvinden. In feite kan het gehele spanningsveld van de verschillende belastingdebatten langs deze lat gelegd worden.

Het ‘eigen’ huis, het ‘belasting betalen waar al belasting over geheven is’, en het ‘familiebedrijf moeten verkopen als er afgerekend moet worden’ zijn typische politieke dossiers waarin deze problematiek naar voren komt, met verschillende gradaties van bullshit.

De ‘eigen’ woning is als zodanig gedefinieerd in de Wet inkomstenbelasting omdat eigendom als onderscheidend kenmerk het aanknopingspunt is voor de heffing. We heffen immers niet bij de huurder over het woongenot. Weinig ruimte voor bullshit, zou men kunnen zeggen. Het appelleren aan het bezit is echter ook onderdeel van het politieke spel. Het ‘afpakken’ van de hypotheekrenteaftrek, wat sec niet in verhouding staat tot de bezitsmogelijkheid, is een hellend vlak van drogredeneringen en benadert al snel de kwalificatie bullshit.

Duidelijker is echter de discussie in de erfbelasting, waarbij het argument dat men ergens belasting over betaalt waarover al belasting is betaald, hardnekkig blijft hangen. Als we echter kijken naar bezit, slaat het argument nergens op: de eerdere belasting is niet betaald door de ontvanger, en betreft een compleet andere heffing. De door Wittgenstein gehekelde categorie van intellectuele luiheid dan wel moedwillige bullshit lijkt hier eerder op zijn plaats. Die intellectuele luiheid blijkt ook uit allerlei variaties van ‘argumenta ad populum’ waarvan tegenstanders van deze belasting zich steevast bedienen. Steeds is de argumentatie eender: ‘niemand vindt erfbelasting leuk, dus het is slecht’.29 Op dezelfde manier kijken kinderen vermoedelijk naar hun huiswerk.

Tot slot, als kroonstuk, lijkt de discussie over de bedrijfsopvolgingsregeling (BOR) zich dikwijls zelfs buiten de grenzen van de bullshit en eerder op het vlak van de leugen te begeven. Rapport na rapport wijst uit dat de regeling ondoelmatig is en weinig toevoegt,30 behalve een vriendelijke doorgifte voor met name de meest vermogende groep die de regeling eigenlijk niet nodig heeft.31 Desondanks wordt de regeling met hand en tand verdedigd in bepaalde hoek,32 waarbij men zich niet engageert met de argumenten van de ander, hoewel het toch aannemelijk is dat daarvan kennis is genomen als men fulltime belast is met het verdedigen van dergelijke regelingen. Het lijkt erop dat het etiket bullshit soms ook nog te ruimhartig kan zijn.

Om nogmaals terug te grijpen op de hoop en de zandkorrels: men kan het corrosieve effect van de bullshit in het ene debat niet los zien van het geheel. Iedere korrel die weggehaald wordt van de stapel, draagt bij aan het verlies van het karakter van de stapel. Bullshit herkennen, benoemen en verwerpen heeft dus ook een systemische functie.

3. Conclusie