Teruggaaf dividendbelasting aan Britse unit-linked verzekeraar: Unierechtelijke drukvergelijking doorslaggevend

Teruggaaf dividendbelasting aan Britse unit-linked verzekeraar: Unierechtelijke drukvergelijking doorslaggevend

Gegevens

Nummer
2026/788
Publicatiedatum
20 mei 2026
Auteur
Redactie
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2026:1082
Rubriek
Vennootschapsbelasting/Dividendbelasting
Relevante informatie

Belanghebbende is een in het VK gevestigde unit-linked verzekeraar die belegt met premies van institutionele pensioenverzekeraars en werkgevers, waarbij de beleggingen, waaronder Nederlandse aandelen, administratief in afzonderlijke mandjes worden bijgehouden. De cliënten hebben uitsluitend een afgeleid economisch belang; belanghebbende is juridisch eigenaar van de aandelen en ontvangt de dividenden. Over de uitgekeerde dividenden is Nederlandse dividendbelasting ingehouden, waarvoor belanghebbende teruggaaf heeft verzocht. De inspecteur wijst de verzoeken af, evenals de rechtbank. In hoger beroep wordt onder meer een prejudiciële vraag aan het HvJ gesteld, die in 2024 wordt beantwoord.

In geschil is of belanghebbende recht heeft op teruggaaf van de ingehouden dividendbelasting op de ontvangen dividenden.

Het hof oordeelt dat belanghebbende ontvankelijk is in het bezwaar tegen de afwijzing van de namens haarzelf ingediende teruggaafverzoeken, maar niet voor zover het de verzoeken van Pensions betreft, omdat geen juridische fusie heeft plaatsgevonden en het beroep niet namens Pensions is ingesteld. Vervolgens stelt het hof vast dat belanghebbende zowel opbrengstgerechtigde als uiteindelijk gerechtigde is tot de dividenden. De cliënten hebben slechts een afgeleid recht; belanghebbende heeft de economische eigendom, absolute zeggenschap over de beleggingen en kan vrijelijk over de dividenden beschikken. De inspecteur heeft niet aannemelijk gemaakt dat belanghebbende slechts als beheerder of lasthebber optreedt. Het hof volgt de rechtbank niet waar deze tot een ander oordeel kwam.

Ten aanzien van de materiële teruggaafgrond oordeelt het hof dat belanghebbende niet vergelijkbaar is met een in Nederland vrijgesteld pensioenfonds, omdat zij niet voldoet aan de doeleis, werkzaamhedeneis en winstbestemmingseis uit de Wet Vpb 1969 en het Uitvoeringsbesluit. Een beroep op het Unierecht slaagt echter wel: het HvJ heeft geoordeeld dat het vrije kapitaalverkeer zich verzet tegen een hogere belastingdruk voor een buitenlandse verzekeraar als belanghebbende dan voor een vergelijkbare binnenlandse belastingplichtige. In Nederland zou een ingezeten vennootschap in een vergelijkbare situatie geen vennootschapsbelasting zijn verschuldigd, omdat de toename van verplichtingen jegens cliënten als kosten aftrekbaar is, zodat per saldo geen belastingdruk op de dividenden rust. Het hof kent daarom, in lijn met het Unierecht, teruggaaf van dividendbelasting toe aan belanghebbende.

(Hoger beroep gegrond.)