Step-down bij vaststelling verkrijgingsprijs aandelen na remigratie in strijd met goede verdragstrouw

Step-down bij vaststelling verkrijgingsprijs aandelen na remigratie in strijd met goede verdragstrouw

Belanghebbende is sinds 1993 enig aandeelhouder en bestuurder van een Poolse vennootschap en sinds 1996 van een Nederlandse houdstervennootschap. In 2003 emigreert hij naar Polen. In 2018 brengt hij zijn aandelen in de Nederlandse bv en de Poolse vennootschap in een nieuwe Poolse holding in, waarvan hij alle aandelen houdt. Bij deze inbreng wordt voor beide deelnemingen de waarde in het economisch verkeer als inbrengwaarde gehanteerd. In Polen wordt geen belasting geheven over de gerealiseerde vermogenswinst, omdat een doorschuiffaciliteit geldt. Eind 2018 remigreert belanghebbende naar Nederland. De inspecteur stelt bij beschikking de verkrijgingsprijs van de aandelen in de holding per remigratiedatum vast op € 1.747.148, na toepassing van een step-down op basis van art. 16 lid 11 Uitv besl IB 2001. De rechtbank stelt de verkrijgingsprijs echter vast op € 10.004.000, omdat toepassing van de step-down in strijd zou zijn met het Unierecht, met name de vrijheid van vestiging (NTFR 2024/345). De inspecteur gaat in hoger beroep. In geschil is de verkrijgingsprijs van de aandelen in de holding bij remigratie naar Nederland. Het hof bevestigt het oordeel van de rechtbank dat de verkrijgingsprijs € 10.004.000 bedraagt. Het hof overweegt dat toepassing van de step-down-regeling ertoe leidt dat Nederland bij een latere vervreemding van de aandelen alsnog belasting heft over een voordeel dat in 2018 is gerealiseerd en op grond van het belastingverdrag met Polen exclusief aan Polen was toegewezen. Dit acht het hof in strijd met de goede verdragstrouw die Nederland jegens Polen in acht moet nemen. Het feit dat Polen feitelijk geen belasting heeft geheven, doet daar niet aan af. Doorslaggevend is dat het heffingsrecht bij Polen lag. Het hof acht de situatie wezenlijk anders dan in HR 22 september 2017 (NTFR 2017/2403) omdat in deze zaak wel sprake is van een daadwerkelijk gerealiseerd vervreemdingsvoordeel tijdens het verblijf in het buitenland. Het hof laat daarom art. 16 lid 11 Uitv besl IB 2001 buiten toepassing en bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

(Hoger beroep ongegrond.)