Home

Terechte ambtshalve aanslag Vpb voor onzakelijke verhuur aan UBO

Terechte ambtshalve aanslag Vpb voor onzakelijke verhuur aan UBO

Gegevens

Nummer
2022/1110
Publicatiedatum
21 september 2022
Auteur
Redactie
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2022:5139
Rubriek
Formeel belastingrecht
Trefwoorden
zakelijke prijs, winstgemis, gelieerde transacties, at arms length
Relevante informatie
Wet op de vennootschapsbelasting 1969 [Tekst geldig vanaf 01-08-2022], Wet inkomstenbelasting 2001 [Tekst geldig vanaf 01-04-2022 tot 01-01-2023], Art. 8:88 Awb, Art. 3.8 Wet IB 2001, Art. 8 Wet Vpb 1964

Belanghebbende is opgericht in 1997 en heeft de heer X als uiteindelijk gerechtigde. Belanghebbende is sinds 2003 eigenaar van meerdere in Nederland gelegen bedrijfsgebouwen. Het onroerend goed is in 2018 door verschillende aan belanghebbende of de UBO gelieerde partijen gebruikt en belanghebbende heeft voor het gebruik geen (zakelijke) huurprijs berekend. Aan belanghebbende is op 1 maart 2019 een aangifte vennootschapsbelasting 2018 uitgereikt. Op 20 april 2019 heeft de inspecteur een ambtshalve aanslag vennootschapsbelasting 2018 opgelegd naar een belastbaar bedrag van € 21.150. Nadat het bezwaar is afgewezen komt belanghebbende in beroep. Zij stelt dat inspecteur in strijd met de regels voordat de aangiftetermijn is verlopen een ambtshalve aanslag heeft opgelegd. De rechtbank verwerpt de stelling. Dat de aangiftetermijn niet is afgewacht staat er niet aan in de weg dat de aanslag ambtshalve wordt vastgesteld. Het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel is hier niet van toepassing. Er is namelijk geen sprake van een bezwarend besluit dat is gebaseerd op nationale regels die uitvoering geven aan Unierechtelijke voorschriften. Voorts is niet aan de orde of de toepassing van nationale belastingwetgeving een beperking inhoudt van Unierechtelijke verkeersvrijheden. Vervolgens oordeelt de rechtbank dat de inspecteur de winst terecht heeft verhoogd met niet-genoten huurinkomsten. Ook oordeelt de rechtbank dat aannemelijk is gemaakt dat een vergoeding onder zakelijke omstandigheden € 21.150 (5% van de WOZ-waarde) zou bedragen. Het beroep wordt wel gegrond verklaard omdat de redelijke termijn is overschreden en daarom recht bestaat op een immateriëleschadevergoeding.

(Beroep gegrond.)