NTFR 2024/547 - Btw: voorstel voor herziening aan herziening toe?

NTFR 2024/547 - Btw: voorstel voor herziening aan herziening toe?

pmdRW
prof. mr. dr. R.A. Wolfpartner indirect tax bij Mazars, hoogleraar belastingrecht bij de Rijksuniversiteit Groningen en raadsheer-plaatsvervanger bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Bijgewerkt tot 26 maart 2024

Onlangs werd vastgoed-Nederland verrast met een voorstel voor het introduceren van een btw-herziening op diensten aan onroerende zaken. Het voorstel wordt nog onderworpen aan een internetconsultatie1 en wellicht volgt dan nog een aanpassing of een heroverweging. Zelf zou ik voor de laatste optie kiezen. Voor btw-fijnproevers wordt een vermeende onevenwichtigheid wellicht opgelost, voor de woningmarkt volgt meer administratie en uiteindelijk minder geld voor woningverhuur. Wat mij betreft een ‘verbetering’ waar niemand op zit te wachten.

Het voorstel richt zich specifiek op de bestrijding van short-stay-structuren. Hierbij investeert een vastgoedeigenaar in een bestaand gebouw dat als woonruimte verhuurd moet worden. De verhuur van woonruimte is btw-vrijgesteld; geen btw-aftrek dus. Het pand wordt echter niet direct als woonruimte verhuurd, maar enige tijd voor short stay gebruikt. Het gaat dan om verhuur van een verblijfsruimte in het kader van hotel,- pension-, kamp- en vakantiebestedingsbedrijven aan personen die daar slechts voor een korte periode verblijf houden. Een en ander is betrekkelijk eenvoudig te regelen via platforms als Booking en Airbnb. Wat IKEA-meubilair erin, en klaar is Kees.

Short-stay-verhuur is btw-belast (zelfs tegen het verlaagde tarief)2, en dat betekent een recht op aftrek voor de btw op de verbouwingskosten. Na een korte short-stay-periode volgt alsnog de (btw-vrijgestelde) verhuur als woonruimte. De btw-aftrek wordt dan niet herzien, want deze is onder de huidige regels enkel afhankelijk van het eerste gebruik. Herziening speelt bij aankoop van onroerende zaken of roerende zaken waarop wordt afgeschreven, maar niet bij inkoop van verbouwingsdiensten. Voor diensten is de aftrek gekoppeld aan het – al dan niet – kortdurende eerste gebruik.

Een langgekoesterde wens

Herziening op diensten; een gedachte waarmee het ministerie van Financiën al geruime tijd speelt. Een herziening op ‘diensten waarvan de uitgaven voor de inkomstenbelasting of de vennootschapsbelasting moeten worden geactiveerd en waarop een ondernemer voor die belastingen kan afschrijven’ werd al in 20053 voorgesteld. Een voorstel dat op dat moment nog niet geheel EU-conform leek4 en uiteindelijk met stille trom is ingetrokken. Op EU-niveau volgde in 2006 een aanpassing van de (toen nog) Zesde richtlijn, waarmee herziening werd toegestaan op diensten met een investeringskarakter.5 Deze optie is momenteel in art. 190 BTW-richtlijn te vinden.

In 2017 verscheen een voorstel voor het invoeren van een herziening voor (alle) kostbare diensten waarmee gebruik werd gemaakt van de inmiddels in de richtlijn opgenomen mogelijkheid tot herziening op diensten. Het voorstel werd nogal kritisch ontvangen en werd uiteindelijk ingetrokken.

Maar short-stay-structuren bleven wrevel wekken. De structuren moesten uitgebannen worden en hiervoor moest Nederland een gespreide herziening op investeringsdiensten implementeren, zo is in 2020 in het Weekblad Fiscaal Recht te lezen.6 In 2021 breken Merkx en Arzini ook een lans voor het invoeren van een herziening op diensten, mede ter voorkoming van ‘bewust btw-besparend gedrag, door een dienst eerst te gebruiken voor belaste doeleinden en daarna voor vrijgestelde doeleinden’.7

Het huidige – inmiddels demissionaire – kabinet heeft in het kader van de Miljoenennota 2023 besloten om ‘opmerkelijke belastingconstructies’ aan te pakken. In de Voorjaarsnota 20238 worden aldus ‘kortdurende verhuur constructies in de btw’ op de korrel genomen: ‘Op deze manier kan de ondernemer (uiteindelijk) btw-vrijgesteld verhuren en toch alle btw op bouwkosten in aftrek brengen. Dit kan op grond van de huidige regelgeving, maar is niet in de geest daarvan. Er wordt immers kunstmatig een btw-aftrekrecht gecreëerd voor een verbouwingsdienst die uiteindelijk hoofdzakelijk gebruikt wordt voor btw-vrijgestelde prestaties.’

Is het eindelijk zover?

En nu is het dan zover: ‘de dag die je wist dat zou komen is eindelijk hier’; de vermaledijde short-stay-structuren moeten er eindelijk aan geloven. Het voorstel waarmee een en ander bewerkstelligd moet worden, behelst een aanpassing van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 en kan aldus zonder verdere parlementaire bemoeienis worden doorgevoerd.

‘Voorgesteld wordt’, en nu citeer ik het consultatiedocument, ‘om de herzieningsregeling zoals die al geldt voor (on)roerende investeringsgoederen, zoals laptops en gebouwen, uit te breiden naar diensten aan onroerende zaken van tenminste € 30.000, zoals bij verbouwingen en groot onderhoud. De ondernemer moet 4 jaar lang bijhouden of de initiële btw-aftrek moet worden gecorrigeerd. De eerder toegepaste btw-aftrek wordt daarom in elk jaar (telkens voor 1/5 deel) vergeleken met het gebruik van de dienst (voor belaste of vrijgestelde prestaties) in dat jaar. Hierdoor wordt de ongewenste belastingbesparende structuur met kortdurende verhuur veel minder aantrekkelijk, waardoor een gelijker speelveld ontstaat voor vastgoedondernemers.’ De nieuwe regeling moet per 2026 gaan gelden.

Eerlijk gezegd zie ik niet direct de maatschappelijke meerwaarde van het ‘consistenter maken van de btw-behandeling van de betreffende diensten aan onroerende zaken’. Gebrek aan (huur)woningen: dat is een maatschappelijk probleem, en daar doet het huidige voorstel niets aan. Integendeel, transitieprojecten die nu nog – met initiële belaste verhuur – rendabel zijn, zijn dat in de toekomst niet meer. Investeren in woningverhuur wordt dan minder aantrekkelijk.

Veltrop legde de vinger op de gevoelige plek toen hij in 2020 schreef: ‘In de politieke afweging kan meespelen dat transformaties wenselijk zijn, maar het is de vraag of transformaties zonder btw-besparing niet zouden doorgaan. Bovendien is de btw niet bedoeld om transformaties te stimuleren.’

In het huidige politieke klimaat kan ik mij niet voorstellen dat een eventueel nieuw kabinet het onderhavige voorstel als eerste maatregel op de woningmarkt wil loslaten.

Tijd voor wat opportunisme?

Eerlijk is eerlijk, voor mij als academicus is de ratio van de voorgestelde regeling volstrekt duidelijk. Voor de modale burger vind ik het voorstel onder de huidige marktomstandigheden wat minder opportuun. In plaats van uitvoering zou ik dan ook een Haagse bureaulade aanraden.