Box 3-heffing over contant geld en ambtshalve vermindering: geen ruimte voor rechtsherstel vóór 2017

Box 3-heffing over contant geld en ambtshalve vermindering: geen ruimte voor rechtsherstel vóór 2017

Gegevens

Nummer
2026/202
Publicatiedatum
9 februari 2026
Auteur
Redactie
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2026:187
Rubriek
Inkomsten uit vermogen/Inkomen uit sparen en beleggen
Relevante informatie

Belanghebbende houdt in 2015 en 2016 het grootste deel van haar vermogen aan in contanten en behaalt daarop geen rendement. Zij ontvangt in beide jaren een uitkering en bezit samen met haar partner een eigen woning met overwaarde. Voor beide jaren dient zij aangifte inkomstenbelasting in, waarbij het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen respectievelijk €839 en €461 bedraagt. De inspecteur verklaart de bezwaren tegen de aanslagen niet-ontvankelijk, merkt deze aan als verzoeken om ambtshalve vermindering en wijst die af.

In geschil is of de verzoeken om ambtshalve vermindering voor de jaren 2015 en 2016 terecht zijn afgewezen. Het hof bevestigt het oordeel van de rechtbank dat de verzoeken terecht zijn afgewezen. Het hof overweegt dat de wettelijke bepalingen van box 3 voorschrijven dat ook contant geld tot de rendementsgrondslag behoort. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad kan voor de jaren tot en met 2016 alleen rechtsherstel worden geboden als sprake is van een individuele en buitensporige last. Rechtsherstel op stelselniveau is pas vanaf 2017 mogelijk. Belanghebbende heeft in hoger beroep uitdrukkelijk haar beroep op een individuele en buitensporige last laten vallen. Het standpunt dat belastingheffing over niet genoten inkomsten niet de intentie van de wet is, kan niet tot ambtshalve vermindering leiden zolang de wet en jurisprudentie daar geen ruimte voor bieden. In de optiek van belanghebbende heeft de rechtbank zich ten onrechte niet uitgelaten over deze stelling. Het hof ziet echter geen aanleiding om de zaak terug te wijzen naar de rechtbank, omdat alle relevante feitelijke kwesties reeds zijn onderzocht en geen sprake is van verlies van instantie.

(Hoger beroep ongegrond.)