JBN 1994/61 - Buitenlands vermogen en internationaal faillissements- en huwelijksvermogensrecht
Aflevering 5, gepubliceerd op 01-05-1994 geschreven door Chr.A.J.F.M. HensenIn geval van een in Nederland uitgesproken faillissement is de gefailleerde verplicht er aan mee te werken dat buitenlandse vermogensbestanddelen worden uitgeleverd aan de boedel. In die zin is reeds beslist door de Hoge Raad op 8 juni 1971, NJ 1971, 414. Deze regel is toegepast in een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 6 juli 1993. De zaak had betrekking op het faillissement, uitgesproken door de Haagse Rechtbank, van een Nederlandse gehuwde man. Hij had geen huwelijkse voorwaarden gemaakt. Naar Nederlands ipr was hij gehuwd in algehele gemeenschap van goederen naar Nederlands recht. Tot de gemeenschap behoorde een onroerende zaak in Spanje. Kennelijk was deze gesteld op naam van de vrouw. De vorderingen hadden althans de strekking dat de echtgenote zou worden verplicht tot uitlevering van de onroerende zaak aan de curator, onder meer door mee te werken aan het opmaken van een notariële volmacht daartoe. In beide instanties is de vordering toegewezen, met de overweging, kort gezegd, dat de echtgenote van de in algehele gemeenschap van goederen gehuwde failliet verplicht is er aan mee te werken dat de curator de buitenlandse goederen bij de boedel kan betrekken.