Aflevering 46

Gepubliceerd op 14 november 2019

NTFR 2019/2782 - Beantwoording van vragen uit het verslag Belastingplan 2020 over de woningmarkt

Aflevering 46, gepubliceerd op 14-11-2019
Minister Van Veldhoven van het nieuwe departement van Milieu en Wonen heeft de openstaande vragen beantwoord uit het Verslag bij het Belastingplan 2020 (Kamerstukken II, 2019-2010, 35 302, nr. 11) die zien op het woningmarktbeleid of meer algemene thema’s die daaraan raken. Deze beantwoording kan betrokken worden in het wetgevingsoverleg Wonen en Ruimte op 11 november met de commissie voor Binnenlandse Zaken.

NTFR 2019/2790 - Woning blijft tijdens uitzending eigen woning; kraakwachtsituatie (art. 81.1 Wet RO)

ECLI:NL:HR:2019:1716, datum uitspraak 08-11-2019, publicatiedatum 08-11-2019
Aflevering 46, gepubliceerd op 14-11-2019
Belanghebbende is werkzaam in loondienst en heeft een eigen woning. Hij is in de periode van 7 november 2007 tot en met 23 september 2014 door zijn werkgever uitgezonden geweest naar Rusland, waar hij een woning huurde. In geschil is of de woning van belanghebbende tijdens de uitzending als eigen woning kwalificeert. Tijdens de uitzending hebben diverse personen, onder meer de dochter van de partner van belanghebbende, in de woning verbleven op basis van bruikleenovereenkomsten. Hof Den Bosch (31 december 2018, nrs. 17/00814 t/m 17/00818, NTFR 2019/1556 heeft uit deze overeenkomsten opgemaakt dat de gebruikers er zorg voor dragen dat de woning niet wordt gekraakt. Behoudens een beperkte bijdrage hoeven zij geen vergoeding voor het verblijf te betalen. Voorts moeten zij de woning verlaten zodra belanghebbende dat noodzakelijk acht. Aldus is het hof van oordeel dat de woning niet aan derden ter beschikking wordt gesteld in de zin van art. 3.111, lid 6, Wet IB 2001 (vgl. de kraakwachtsituatie van HR 7 juni 2013, nr. 12/05459, NTFR 2013/1409). Dat de term ‘kraakwacht’ niet in de overeenkomsten is genoemd, is volgens het hof niet van belang. Aldus is de woning tijdens de uitzending als eigen woning aan te merken.

NTFR 2019/2791 - NOB-commentaar op antwoorden Kamervragen aanpassing box 3

Aflevering 46, gepubliceerd op 14-11-2019
Op 18 oktober 2019 heeft de staatssecretaris van Financiën geantwoord op Kamervragen over de aangekondigde aanpassing van box 3, waarin hij aangeeft dat het niet mogelijk is om vóór 1 januari 2022 over te gaan tot aanpassing. Mede in het licht van het recente advies van de parlementair advocaat aan de Tweede Kamer heeft de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs (NOB) hierop gereageerd met een notitie van 25 oktober 2019. De NOB draagt enkele suggesties aan hoe de door de staatssecretaris gesignaleerde problemen kunnen worden opgelost. Daardoor zou het naar de mening van de NOB mogelijk moeten zijn om al met ingang van 2020 voor met name spaarders in box 3 aanzienlijke verbeteringen door te voeren die veel van de thans ervaren onrechtvaardigheid zouden beëindigen. Dit kan volgens de NOB worden gezien als een eerste stap op weg naar de langetermijnoplossing waar het kabinet naartoe werkt. De quick fix die de staatssecretaris op 6 september 2019 heeft gepresenteerd, zou daarmee de tweede stap op weg naar deze langetermijnoplossing zijn. Zie voor het eerdere commentaar van de NOB op de voorgestelde aanpassing van box 3 NTFR 2019/2471.

NTFR 2019/2792 - Tweede Kamervragen beantwoord over de aftrek van de kosten voor eigen cannabis

Aflevering 46, gepubliceerd op 14-11-2019
De minister voor Medische Zorg en Sport heeft Tweede Kamervragen beantwoord over de fiscale aftrekbaarheid van de kosten voor het telen van eigen cannabis. De vragen zijn gesteld naar aanleiding van het arrest waarin de Hoge Raad heeft geoordeeld dat de kosten van de eigen teelt van cannabis aftrekbaar zijn als de cannabis door de dokter is voorgeschreven (HR 4 oktober 2019, nr. 18/04241, NTFR 2019/2526). De minister meldt dat de uitspraak van de Hoge Raad niets verandert aan het feit dat het telen van cannabis op grond van de Opiumwet verboden is. Van ‘thuis telen voor medicinale doeleinden’ kan binnen het kader van de Opiumwet geen sprake zijn. Wel worden binnen het landelijke kader dat gesteld wordt door de Opiumwet en de Aanwijzing van het Openbaar Ministerie (OM) vijf planten of minder gezien als een kleine hoeveelheid voor eigen gebruik en wordt er in principe niet vervolgd.

NTFR 2019/2793 - Beleidsvisie op filantropie naar de Tweede Kamer gestuurd

Aflevering 46, gepubliceerd op 14-11-2019
De minister voor Rechtsbescherming heeft de Beleidsvisie op filantropie naar de Tweede Kamer gestuurd. Daarin staat het overheidsbeleid en de coördinerende rol van het Ministerie van Justitie en Veiligheid ten aanzien van filantropie. Aan de brief ligt de verkenning van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) mede ten grondslag. Deze verkenning, ‘Filantropie op de grens van overheid en markt’, is als bijlage bijgevoegd, evenals een overzicht van de eerdere Kamerbrieven over filantropie. Uit de verkenning volgt dat recente ontwikkelingen in de samenleving aanleiding geven tot het formuleren van expliciet overheidsbeleid ten aanzien van filantropie. Het overheidsbeleid maakt de minister in de brief expliciet. Dat overheidsbeleid kent drie Rijksbrede speerpunten: het stimuleren van geefgedrag, het bevorderen van transparantie en betrouwbaarheid van de sector en het bevorderen van samenwerking tussen overheid en filantropie. Onder het stimuleren van geefgedrag komen de fiscale aspecten rondom filantropie aan de orde, zoals de giftenaftrek en de anbi-regeling. Uit het regeerakkoord volgt dat de Geefwet blijft. Verder volgen uit het rapport van een werkgroep van het Ministerie van Financiën en de Samenwerkende Brancheorganisaties Filantropie (SBF) kabinetsvoorstellen tot verbetering van de uitvoering van de giftenaftrek en de anbi-regeling. De multiplier voor giften aan cultuur blijft bestaan.

NTFR 2019/2797 - Geen verlaagd tarief voor alcoholhoudende dranken, ook niet als deze tegelijk met voeding in een restaurant worden verstrekt

ECLI:NL:HR:2019:1724, datum uitspraak 08-11-2019, publicatiedatum 08-11-2019
Aflevering 46, gepubliceerd op 14-11-2019 met annotatie van mr. C.C. van den Berg
In deze zaak gaat het om het omzetbelastingtarief dat een restaurant in rekening moet brengen voor de alcoholhoudende dranken die het serveert. Eet- en drinkwaren vallen onder het verlaagde tarief, behalve alcoholhoudende dranken, die volgens de wet onder het algemene tarief vallen. Belanghebbende betoogt echter dat ter zake van één samengestelde prestatie slechts één tarief kan worden toegepast. Voorts betoogt belanghebbende dat de wetgever de in Bijlage III, post 12bis, Btw-richtlijn opgenomen mogelijkheid voor lidstaten om alcoholhoudende dranken uit te zonderen van toepassing van het verlaagde tarief, niet (correct) heeft geïmplementeerd. De Hoge Raad onderschrijft de visie van belanghebbende niet. De cassatierechter zet uiteen dat het de uitdrukkelijke bedoeling van de richtlijngever is om lidstaten de mogelijkheid te geven de verstrekking van alcoholhoudende dranken uit te zonderen van het verlaagde btw-tarief, ook indien deze verstrekking deel uitmaakt van een uit verschillende elementen bestaande restaurantdienst. Indien een lidstaat gebruik heeft gemaakt van deze mogelijkheid van selectieve toepassing van het verlaagde tarief, kan het niet meer van doorslaggevend belang zijn of de verstrekking van deze dranken deel uitmaakt van een samengestelde restaurantdienst.

NTFR 2019/2798 - Aan bouw gymnastieklokalen toerekenbare btw kan door gemeente bij wijziging gebruik worden herzien

ECLI:NL:HR:2019:1399, datum uitspraak 20-09-2019, publicatiedatum 20-09-2019
Aflevering 46, gepubliceerd op 14-11-2019 met annotatie van drs. M.J.M.A. Toet FB
Belanghebbende, een gemeente en OB-ondernemer, heeft vier multifunctionele accommodaties laten bouwen die onderdak bieden aan onderwijsinstellingen. Zij heeft de haar in rekening gebrachte btw niet in aftrek gebracht. Elke accommodatie is voorzien van een gymnastieklokaal. Na de oplevering heeft belanghebbende de gymnastieklokalen in gebruik genomen door deze ter beschikking te stellen aan derden; voor 40% om niet aan basisscholen en voor 60% tegen vergoeding inclusief btw aan anderen. Per 2010 stelt belanghebbende de gymnastieklokalen uitsluitend tegen vergoeding met btw ter beschikking. Op verzoek van belanghebbende heeft de inspecteur 60% van de voorbelasting teruggegeven. Bij haar aangifte over het laatste tijdvak van 2012 heeft belanghebbende verzocht om een aanvullende teruggaaf van btw. De inspecteur en Hof Arnhem-Leeuwarden (15 augustus 2017, (NTFR 2017/2562)) hebben dat geweigerd. De hofuitspraak houdt in cassatie echter geen stand. De Hoge Raad stelt voorop dat:

NTFR 2019/2800 - Winterhoff en Eisenbeis: diensten van houders nationale vergunning postdiensten zijn btw-vrijgesteld

Aflevering 46, gepubliceerd op 14-11-2019 met annotatie van mr. A. Vroon
Winterhoff is de curator van DIREKTexpress Holding. De activiteit van deze houdstermaatschappij en haar dochterondernemingen bestond in 2008 en 2009 hoofdzakelijk in het uitvoeren van opdrachten tot betekening van stukken overeenkomstig bepalingen van Duits publiekrecht. Eisenbeis is de curator van JUREX. JUREX voerde met name opdrachten uit tot betekening van stukken op Duits grondgebied. DIREKTexpress en JUREX waren in het bezit van een Duitse vergunning voor het aanbieden van postbezorgingsdiensten. De verwijzende rechter vraagt zich af of DIREKTexpress en JUREX moeten worden beschouwd als ‘aanbieders van de universele dienst’ in de zin van Richtlijn 97/67, waardoor hun diensten van btw vrijgesteld zouden zijn.

NTFR 2019/2801 - Paolo Nascimento Consulting: geen btw-vrijstelling voor overdracht tegen vergoeding van positie in civiele procedure

Aflevering 46, gepubliceerd op 14-11-2019 met annotatie van mr. C.C. van den Berg
Paolo Nascimento Consulting (PNC) heeft in november 2006 in het kader van haar vastgoedbemiddelingsactiviteit een mandaat gekregen om landbouwgrond te verkopen. PNC bezorgde haar lastgever een koopaanbod, maar dit werd afgewezen door die lastgever, die weigerde PNC voor de verrichte dienst te betalen. PNC heeft bij de burgerlijke rechter een vordering ingediend. In het kader van die procedure is beslag gelegd op een aan de schuldenaar behorend onroerend goed. Dit goed is vervolgens toegewezen aan PNC, onder de verplichting voor PNC om het verschil tussen de waarde van het goed en de waarde van haar vordering terug te betalen aan de voor tenuitvoerlegging bevoegde instantie. PNC heeft bij overeenkomst al haar rechten en verplichtingen verbonden aan deze civiele procedure overgedragen aan Starplant. Starplant heeft daarvoor € 351.619 betaald. De verwijzende rechter vraagt zich af of de overdracht van deze positie door PNC kwalificeert als btw-vrijgestelde bemiddeling bij kredieten of het beheer van kredieten, dan wel kredietverlening.

NTFR 2019/2802 - Belastingplichtige en rechter moeten toegang hebben tot processtukken die zien op andere belastingplichtigen, waarop Belastingdienst zijn beslissing baseert (zaak Glencore)

Aflevering 46, gepubliceerd op 14-11-2019 met annotatie van drs. C. Verweij
De Hongaarse belastingdienst heeft twee naheffingen van in totaal € 6,4 miljoen btw opgelegd aan Glencore. De belastingdienst was van mening dat Glencore op onrechtmatige wijze btw in aftrek had gebracht voor zover zij wist of had moeten weten dat de transacties met haar leveranciers onderdeel waren van btw-fraude. Hij baseerde zich op bevindingen bij die leveranciers, waarbij hij deze fraude als een vaststaand feit beschouwde. Glencore heeft geen toegang gekregen tot de processtukken van de strafzaken die de belastingdienst tegen de leveranciers heeft gevoerd, noch tot het dossier op basis waarvan de belastingdienst zijn beslissing jegens Glencore heeft genomen.

NTFR 2019/2803 - Tonijnchunks terecht ingedeeld als visfilet

ECLI:NL:HR:2019:1710, datum uitspraak 08-11-2019, publicatiedatum 08-11-2019
Aflevering 46, gepubliceerd op 14-11-2019 met annotatie van mr. B.A. Kalshoven
Belanghebbende heeft aangifte gedaan van het in het vrije verkeer brengen van een partij tonijnchunks. Zij heeft de tonijnchunks ingedeeld als bevroren visvlees (tarief 7,5%). Naar aanleiding van een controle heeft de inspecteur de tonijnchunks ingedeeld als ‘visfilet’ (tarief 18%). Volgens Hof Amsterdam moeten de tonijnchunks op grond van objectieve kenmerken en eigenschappen worden ingedeeld als visfilet. De Hoge Raad onderschrijft dit oordeel. Anders dan belanghebbende betoogt, doet de snijwijze en snijvolgorde van de vis niet af aan een indeling als filet.

NTFR 2019/2808 - Onthouden fiscale voorrechten ex art. 10, lid 6, Zetelovereenkomst Europees Octrooi Bureau is volgens A-G Wattel in strijd met vrij werknemersverkeer

ECLI:NL:PHR:2019:1030, datum uitspraak 08-10-2019, publicatiedatum 25-10-2019
Aflevering 46, gepubliceerd op 14-11-2019 met annotatie van mr. R.A. Bosman
Belanghebbende, een Nederlander, heeft tot en met augustus 2004 in München gewerkt en gewoond, waar hij werkte voor de Europese Octrooi Organisatie (EOO). Van 1 september 2004 tot en met 31 december 2014 werkte hij bij de Nederlandse vestiging, het EOB. In cassatie is in geschil of art. 45 VWEU in de weg staat aan toepassing van art. 10, lid 6 van de Zetelovereenkomst met de EOO, dat bepaalde fiscale voorrechten en immuniteiten onthoudt aan EOB-werknemers die Nederlander zijn of duurzaam verblijf houden in Nederland. Hof Den Haag (13 maart 2019, nrs. 18/00473 t/m 18/00481, NTFR 2019/1480) achtte art. 45 VWEU geschonden omdat art. 10, lid 6, Zetelovereenkomst Nederlanders die van hun EU-vrijverkeersvrijheden gebruik hebben gemaakt ongunstiger behandelt dan niet-Nederlanders in overigens gelijke omstandigheden (omgekeerde discriminatie naar nationaliteit die niet als puur interne aangelegenheid kan worden beschouwd). Het hof zag geen EU-rechtelijk aanvaardbare rechtvaardiging in de Nederlandse wens diplomaten en werknemers van internationale organisaties hetzelfde te behandelen, noch in het volkenrecht of de evenwichtige verdeling van heffingsbevoegdheid. In cassatie betoogt de staatssecretaris dat het hof ten onrechte het uit art. 10, lid 6, Zetelovereenkomst voortvloeiende verschil tussen Nederlanders en niet-Nederlanders in heffing over box 3-inkomen in strijd heeft geoordeeld met art. 45 VWEU, nu de belanghebbende niet ongunstiger wordt behandeld dan ingezeten Nederlanders. Bij deze conclusie van A-G Wattel behoort een bijlage die ook ziet op de zaak met nr. 19/02014. In die bijlage worden de voor beide zaken relevante achtergronden, wetteksten, parlementaire geschiedenis en rechtspraak behandeld. Ook A-G Wattel meent dat de belanghebbende zich op art. 45 VWEU kan beroepen om hetzelfde behandeld te worden als een niet-Nederlander die vanuit een andere EU-lidstaat naar Nederland komt om voor het EOB te werken. Hij heeft van zijn EU-verkeersrechten gebruikgemaakt door duurzaam in München te gaan wonen en werken, waardoor er geen sprake meer is van een puur interne situatie, en hij is vervolgens, anders dan Van Hilten-Van der Heijden, teruggekeerd vanuit Duitsland om voor het EOB te gaan werken. Volgens de vaste Knoors-jurisprudentie van het HvJ verkeerde hij daarmee in dezelfde situatie als een niet-Nederlandse EU-burger die vanuit een andere lidstaat door het EOB wordt aangeworven. Het onderscheid naar nationaliteit in art. 10, lid 6, Zetelovereenkomst is in dit geval dus onverenigbaar met art. 45 VWEU. Ook de advocaat-generaal ziet geen EU-rechtelijk aanvaardbare rechtvaardiging voor het onderscheid naar nationaliteit in art. 10, lid 6, Zetelovereenkomst. Dat die bepaling internationaal aanvaard is voor diplomatieke ambtenaren en dat Nederland streeft naar dezelfde fiscale behandeling als die voor diplomaten, lijkt de advocaat-generaal niet relevant omdat (i) de belanghebbende geen diplomatiek ambtenaar is en (ii) belanghebbende dus ook niet onderworpen is gebleven aan de belastingheffing van een zendstaat, en (iii) het onderscheid tussen Nederlands en niet-Nederlands EOB-personeel op geen enkele wijze de onafhankelijkheid van het EOB-personeel kan dienen. De HvJ-arresten Evans en Kadi, inhoudende dat het EU-recht moet worden uitgelegd in het licht van het volkenrecht, maken dit niet anders. Het door de staatssecretaris ingeroepen volkenrecht ziet op diplomatieke ambtenaren en niet op werknemers van een internationale organisatie. Er is geen volkenrechtelijke regel die Nederland dwingt om op EOB-personeel dezelfde (uitzonderingen van) voorrechten en immuniteiten toe te passen als op diplomatieke ambtenaren, noch om het box 3-inkomen van dergelijk personeel te belasten. De advocaat-generaal acht onderscheid naar nationaliteit evenmin noodzakelijk voor een evenwichtige verdeling van heffingsbevoegdheid tussen lidstaten, nu er geen sprake is van verdeling van heffingsbevoegdheden tussen lidstaten, maar van vrijstelling door één enkele lidstaat, Nederland. Het EOB noch enige andere staat of entiteit belast immers het box 3-inkomen van Nederlands ingezeten EOB-werknemers.