Home

Subsidieregeling instituten voor toegepast onderzoek

Geldig van 21 november 2025 tot 1 april 2028
Geldig van 21 november 2025 tot 1 april 2028

Subsidieregeling instituten voor toegepast onderzoek

Opschrift

[Tekst geldig vanaf 21-11-2025 tot 01-04-2028]
[Regeling ingetrokken per 01-04-2028]

Aanhef

De Minister van Economische Zaken en Klimaat;

Handelende in overeenstemming met de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;

Gelet op artikel 3 van de Kaderwet EZ-subsidies en artikel 3, derde lid, van de Wet van 31 mei 1937, houdende de omzetting van de Rijksstudiedienst voor de luchtvaart in een stichting (Stb. 1937, 523);

Besluit:

§ 1. Algemeen

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • bedrijfsgeheim: informatie die:

    1. in haar geheel of vanwege de specifieke samenstelling en ordening van haar bestanddelen niet algemeen bekend is bij of gemakkelijk toegankelijk is voor personen binnen de kringen die zich gewoonlijk bezighouden met de desbetreffende soort informatie,

    2. handelswaarde bezit omdat zij geheim is, en

    3. door de persoon die rechtmatig beschikt over deze informatie, onderworpen is aan maatregelen om deze informatie geheim te houden;

  • daadwerkelijke samenwerking: daadwerkelijke samenwerking als bedoeld in paragraaf 1.3, onderdeel 16, onder h, van de O&O&I-kaderregeling;

  • experimentele ontwikkeling: experimentele ontwikkeling als bedoeld in paragraaf 1.3, onderdeel 16, onder k, van de O&O&I-kaderregeling;

  • financiële onderneming: financiële onderneming als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet op het financieel toezicht;

  • fundamenteel onderzoek: fundamenteel onderzoek als bedoeld in paragraaf 1.3, onderdeel 16, onder n, van de O&O&I-kaderregeling;

  • industrieel onderzoek: industrieel onderzoek als bedoeld in paragraaf 1.3, onderdeel 16, onder r, van de O&O&I-kaderregeling;

  • infrastructuursubsidie: geldmiddelen die de minister beschikbaar stelt als bijdrage voor onderzoeksinfrastructuur, in eigendom en beheer van het instituut, voor zover er sprake is van investeringen in:

    1. nieuwe onderzoeksinfrastructuur, of

    2. uitbreiding van bestaande onderzoeksinfrastructuur, voor zover er geen sprake is van vervangingsinvesteringen als bedoeld in de definitie van instituutssubsidie, onderdeel b;

  • instituut: door de minister als zodanig aangewezen instituut voor toegepast onderzoek dat voldoet aan de vereisten die gelden voor een onderzoeksorganisatie als bedoeld in onderdeel 16, onder ff, van de O&O&I-kaderregeling, met als primaire activiteiten de activiteiten, bedoeld in paragraaf 2.2.1, onderdeel 20 van de O&O&I-kaderregeling;

  • instituutssubsidie: geldmiddelen die de minister beschikbaar stelt ter ondersteuning van het doel, bedoeld in artikel 5, eerste lid:

    1. voor het onafhankelijk verrichten van fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling,

    2. als bijdrage voor vervangingsinvesteringen in en de exploitatie en het onderhoud van onderzoeksinfrastructuur in eigendom en beheer van het instituut,

    3. voor het breed verspreiden van de resultaten van het onderzoek, bedoeld in onderdeel a, door middel van onderwijs, publicaties of kennisoverdracht, of

    4. als bijdrage voor overige exploitatie- en investeringskosten, voor zover deze onlosmakelijk verbonden zijn met het doel van het instituut, bedoeld in artikel 5, eerste lid, en de activiteiten, bedoeld in paragraaf 2.2.1, onderdeel 20 van de O&O&I-kaderregeling en voor zover er geen sprake is van investeringen als bedoeld in de definitie van infrastructuursubsidie;

  • kostendrager: een product of een in economisch opzicht homogene groep van producten, die als voorwerp van calculatie wordt gekozen;

  • kredietwaardigheidsoordeel: rating als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van Verordening 1060/2009;

  • kredietbeoordelingsbureau: een in de Europese Unie geregistreerd ratingbureau overeenkomstig Verordening 1060/2009;

  • landbouwvrijstellingsverordening: Verordening (EU) 2022/2472 van de Commissie van 14 december 2022 waarbij bepaalde categorieën steun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU 2022, L 327);

  • minister:

    1. Minister van Economische Zaken;

    2. Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, in overleg met de Minister van Economische Zaken, indien het subsidie betreft die aan een instituut wordt verleend ten laste van de begroting van het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur;

    3. Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, in overleg met de Minister van Economische Zaken en de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, indien het subsidie betreft die aan een instituut wordt verleend ten laste van de begroting van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; of

    4. Minister van Infrastructuur en Waterstaat, in overleg met de Minister van Economische Zaken, indien het subsidie betreft die aan een instituut wordt verleend ten laste van de begroting van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat;

    5. Minister van Klimaat en Groene Groei, in overleg met de Minister van Economische Zaken, indien het subsidie betreft die aan een instituut wordt verleend ten laste van de begroting van het Ministerie van Klimaat en Groene Groei.

  • onderzoeksinfrastructuur: onderzoeksinfrastructuur als bedoeld in paragraaf 1.3, onderdeel 16, onder gg, van de O&O&I-kaderregeling;

  • onderzoeksprogramma: programma dat bestaat uit een samenstel van activiteiten gericht op het realiseren van een of meer onderzoeks-, ontwikkelings-, of innovatiedoelstellingen;

  • O&O&I-kaderregeling: Kaderregeling betreffende staatssteun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie nr. 2022/C 414/01 (PbEU 2022, C 414);

  • programmasubsidie: geldmiddelen die de minister ter beschikking stelt voor de uitvoering van:

    1. onderzoeksprogramma’s, of

    2. programma’s voor wettelijke onderzoekstaken;

  • rentecap: derivaat tussen twee partijen inzake een financiering, waarbij de koper tegen betaling van een geldsom gedurende een bij dat derivaat overeengekomen periode de garantie van een maximaal te betalen rentetarief verkrijgt;

  • renteswap: derivaat tussen twee partijen om gedurende een bij dat derivaat overeengekomen vastgestelde periode kasstromen in de vorm van rentebetalingen uit te wisselen;

  • valutaoptie: derivaat tussen twee partijen waarbij sprake is van een eenzijdige verplichting van de ene contractpartij en daartegenover een eenzijdig recht van de andere contractpartij waarbij de laatstgenoemde tegen een vastgestelde valutakoers een valutatransactie mag afsluiten;

  • valutatermijncontract: derivaat tussen twee partijen, waarbij zij een wederzijdse verplichting aangaan om op enig tijdstip in de toekomst een vooraf bepaald bedrag in een valuta te ruilen tegen een vooraf bepaald bedrag in een andere valuta;

  • Verordening 1060/2009: Verordening (EG) nr. 1060/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 inzake ratingbureaus (PbEU 2009, L 302);

  • Verordening 651/2014: Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU 2014, L 187);

  • visserijvrijstellingsverordening: Verordening (EU) 2022/2473 van de Commissie van 14 december 2022 waarbij bepaalde categorieën steun voor ondernemingen die actief zijn in de productie, de verwerking en de afzet van visserij- en aquacultuurproducten, op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU 2022, L 327);

  • wettelijke onderzoekstaak: niet economische dienst van algemeen belang in de vorm van onderzoek, advisering of inzet van onderzoeksfaciliteiten, onlosmakelijk verbonden met de uitoefening van taken, met inbegrip van de uitoefening van openbaar gezag, door de minister of andere ministers die het aangaat of instellingen of organen van de Europese Unie, opgenomen in bijlage 1 en ingericht en gefinancierd overeenkomstig de aanwijzingen en vergoedingen die door de minister worden vastgesteld overeenkomstig deze regeling.

Artikel 2

Artikel 3

Artikel 4

Artikel 5

Artikel 6

Artikel 7

Artikel 8

§ 2. Instituutssubsidie

Artikel 9

Artikel 10

§ 3. Programmasubsidie

Artikel 11

Artikel 12

Artikel 13

Artikel 14

Artikel 15

Artikel 16

§ 4. Infrastructuursubsidie

Artikel 17

Artikel 18

§ 5. Afwijzingsgronden

Artikel 19

Artikel 20

§ 6. Subsidieverplichtingen

§ 6.1. Algemeen

Artikel 21

Artikel 22

Artikel 23

Artikel 24

§ 6.2. Staatssteun

Artikel 25

Artikel 26

Artikel 27

Artikel 28

Artikel 29

Artikel 30

Artikel 31

§ 6.3. Derivaten

Artikel 32

Artikel 33

Artikel 34

Artikel 35

Artikel 36

Artikel 37

Artikel 38

§ 7. Begrotingsvoorbehoud

Artikel 39

§ 8. Bevoorschotting

Artikel 40

§ 9. Subsidievaststelling

Artikel 41

Artikel 42

Artikel 43

Artikel 43a

§ 10. Evaluatie

Artikel 44

§ 11. Slotbepalingen

Artikel 45

Artikel 46

Artikel 47

Artikel 48

Artikel 49

Bijlage 1. behorende bij artikel 1 (lijst van wettelijke onderzoekstaken)

Bijlage 2. behorende bij artikel 9, tweede lid (subsidieplafonds instituutssubsidie)

Bijlage 3. behorende bij artikel 12, eerste lid (subsidieplafonds programmasubsidie)

Bijlage 4. behorende bij artikel 17, tweede lid (subsidieplafonds infrastructuursubsidie)

Bijlage 5. behorende bij artikel 42, tweede lid (controleprotocol)