Home

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 06-09-2022, ECLI:NL:GHARL:2022:7635, 21/00499

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 06-09-2022, ECLI:NL:GHARL:2022:7635, 21/00499

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
6 september 2022
Datum publicatie
16 september 2022
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2022:7635
Zaaknummer
21/00499
Relevante informatie
Art. 2 lid 1 Wet Vpb 1969, Art. 7 Wet Vpb 1969

Inhoudsindicatie

VPB. Hoogte geldleningen.

Uitspraak

locatie Leeuwarden

nummer BK-ARN 21/00499

uitspraakdatum: 6 september 2022

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

Landbouwbedrijf [de bestuurder] B.V. te [vestigingsplaats] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 11 maart 2021, nummer LEE 20/280, ECLI:NL:RBNNE:2021:736, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Leeuwarden (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is voor het boekjaar 1 mei 2014 tot en met 30 april 2015 een aanslag in de vennootschapsbelasting (hierna: Vpb) opgelegd. Bij beschikking is belastingrente berekend.

1.2.

De Inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de bezwaren ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Belanghebbende heeft voor de zitting nadere stukken ingediend.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 mei 2022. Daarbij zijn verschenen en gehoord mr. R.M. van Wijk, als de gemachtigde van belanghebbende, bijgestaan door [de bestuurder] , de bestuurder van belanghebbende, alsmede [naam1] namens de Inspecteur, bijgestaan door [naam2] . Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 Vaststaande feiten

2.1.

In de periode van 1 mei 2002 tot 30 april 2011 dreef [de bestuurder] (hierna: [de bestuurder] ) samen met zijn broer en diens schoonvader in maatschapsverband (hierna: de maatschap) een landbouwonderneming. Tot 2006 was dat een melkveehouderij. In 2006 heeft de maatschap het melkquotum verkocht. Daarna bestonden de activiteiten van de maatschap uit de verhuur van de boerderij en de landerijen, die in eigendom waren van de maatschap.

2.2.

Belanghebbende is op 23 juli 2007 naar Nederlands recht opgericht. Belanghebbende heeft de rechtsvorm van besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid als bedoeld in artikel 2:175 Burgerlijk Wetboek. Het boekjaar van belanghebbende loopt van 1 mei tot en met 30 april.

2.3.

[de bestuurder] houdt alle aandelen in belanghebbende. Het aandelenkapitaal bestaat uit 1.800 aandelen met een nominale waarde van € 100 per stuk. Daarnaast is € 1.986.008 als agio op de aandelen gestort. [de bestuurder] heeft aan zijn stortingsplicht voldaan door zijn belang in de maatschap fiscaal geruisloos in te brengen in belanghebbende.

2.4.

Belanghebbende had geen eigen bankrekeningen. Haar betalingen liepen via de bankrekening van [de bestuurder] .

2.5.

[de bestuurder] is in 2007 naar Portugal vertrokken, teneinde daar een melkveehouderij te beginnen in de vorm van een eenmanszaak. [de bestuurder] heeft ten behoeve van deze onderneming voor een bedrag van € 450.000 onroerende zaken gekocht in Portugal.

2.6.

[de bestuurder] is per 1 mei 2014 geremigreerd naar Nederland. Het besluit om te remigreren is genomen op 30 april 2014. De feitelijke leiding van belanghebbende, die in ieder geval vanaf 2011 in Portugal werd uitgeoefend, is eveneens per 1 mei 2014 naar Nederland verplaatst, zodat belanghebbende vanaf dat moment ook feitelijk weer in Nederland is gevestigd.

2.7.

De aankoop van de onroerende zaken (zie 2.5) is betaald met geld van een bankrekening die op naam van [de bestuurder] stond en waarvan het saldo toekwam aan belanghebbende (zie 2.4). Die bankrekening is ook gebruikt door [de bestuurder] om onder meer vee en inventaris te kopen ten behoeve van zijn Portugese onderneming. Belanghebbende heeft aldus gedurende de periode van de opstart van de onderneming van [de bestuurder] in Portugal geld verstrekt aan [de bestuurder] . Voor deze geldverstrekkingen door belanghebbende aan [de bestuurder] (hierna gezamenlijk aangeduid: geldverstrekking 1) is geen overeenkomst van geldlening opgesteld. Volgens de jaarrekeningen van belanghebbende werd over deze geldverstrekking een rente berekend van 4 procent. Het verloop van geldverstrekking 1 in de jaarrekeningen van belanghebbende is als volgt:

Datum

Saldo

Mutatie

1 mei 2010

€ 677.266

+ rente

€ 18.146

1 mei 2011

€ 695.412

+ rente

€ 27.816

1 mei 2012

€ 723.228

+ rente

€ 28.929

1 mei 2013

€ 752.157

+ rente

€ 30.083

30 april 2014

€ 782.240

2.8.

Op 24 maart 2011 heeft belanghebbende al haar onroerende zaken in Nederland, met uitzondering van een perceel grond, verkocht aan een derde voor een bedrag van € 1.850.000. De overnemer heeft een deel van de koopprijs voldaan en is het resterende deel, ad € 650.000, schuldig gebleven. Met het direct ontvangen deel van de koopprijs heeft belanghebbende een lening bij de bank afgelost en de transactiekosten van de verkoop voldaan. Het resterende bedrag van het ontvangen deel van de kooprijs, € 203.262, is overgeboekt naar een bankrekening op naam van de maatschap.

2.9.

Ten aanzien van het schuldig gebleven deel van de koopprijs heeft belanghebbende een lening verstrekt van € 650.000 aan de overnemer van de onroerende zaken. De overnemer heeft deze lening op 2 september 2011 volledig afgelost. De overnemer heeft het bedrag van de aflossing overgemaakt naar een bankrekening op naam van [de bestuurder] en zijn broer. Op dezelfde dag is het bedrag overgeboekt naar een spaarrekening op naam van [de bestuurder] . Het bedrag op deze spaarrekening is in de periode 2 september 2011 tot en met 31 december 2013 nagenoeg geheel opgenomen door [de bestuurder] . Het saldo op deze spaarrekening bedroeg op 31 december 2013 € 6.593,43. In het door belanghebbende opgestelde mutatie-overzicht van deze geldverstrekking is over de periode september 2011 tot en met 2015 – onder meer – het volgende vermeld:

“02-09-2011

650.000,00

storting wegens aflossing lening de Walddiken

(uit verkoopopbrengst onroerende zaken in 2011)

af:

-443.488,14

diverse opnamen, niet bekend

begin

206.511,86

dit isnu het oudst beschikbare saldo op te vragen bij de bank

15-10-2012

-10.000,00

(…)

ultimo 2012

98.153,50

mutatie 108.358,36 afname

(…)

ultimo 2013

6.593,43

mutatie 91.560,07 afname

(…)

ultimo 2014

6.998,86

mutatie 405,43 toename

(…)

ultimo 2015

26.241,61

mutatie 19.242,75 toename”

2.10.

Belanghebbende heeft de onder 2.9 genoemde geldverstrekking van belanghebbende aan [de bestuurder] (hierna: geldverstrekking 2) in haar jaarrekening opgenomen onder vorderingen en maatschappijen waarin wordt deelgenomen, met nadere aanduiding “ [de bestuurder] ”. Voor geldverstrekking 2 is er geen overeenkomst van geldlening opgemaakt. Volgens de jaarrekeningen van belanghebbende werd over deze geldverstrekking een rente berekend van 4 procent. Het verloop van geldverstrekking 2 in de jaarrekeningen van belanghebbende was als volgt:

Datum

Saldo

Mutatie

1 mei 2011

€ 0

2 sept 2011

+ transactie derde

€ 650.000

+ rente

€ 17.300

1 mei 2012

€ 667.300

+ rente

€ 26.700

1 mei 2013

€ 694.000

+ rente

€ 27.760

30 april 2014

€ 721.760

2.11.

Op 24 december 2007 hebben [de bestuurder] en belanghebbende een rekening-courantovereenkomst ondertekend met ingangsdatum 1 augustus 2007 (hierna: rekening-courant). Volgens de overeenkomst mag het openstaande saldo maximaal € 100.000 bedragen en wordt een rente van 4% per jaar in rekening gebracht over het gemiddelde saldo. Op 30 april 2014 had belanghebbende een rekening-courantschuld aan [de bestuurder] van € 108.921.

2.12.

In de periode van 1 januari 2010 tot 1 mei 2014 heeft belanghebbende geen formele dividenduitkeringen gedaan.

2.13.

In de jaren 2007 tot en met 2014 waren de resultaten van de Portugese onderneming van [de bestuurder] als volgt:

Jaar

Resultaat

2007

€ 34.879

2008

€ 55.287

2009

€ 7.991

2010

onbekend

2011

onbekend

2012

-/- € 189.654

2013

-/- € 199.532

2014

-/- € 101.089

2.14.

Tot de stukken van het geding behoren door [de bank] vastgelegde interne verslagen van gesprekken tussen bankmedewerkers en [de bestuurder] . In het gespreksverslag van een op 4 april 2011 gevoerd gesprek tussen een bankmedewerker en [de bestuurder] is onder meer het volgende vermeld:

“ [de bestuurder] wil € 70.000,- overboeken naar Portugal (…)

Melkprijzen zijn niet goed, voerprijzen zijn zeer hoog

Bestuurlijk en politiek een grote chaos

[de bestuurder] wacht de verkiezingen van juli + de vorming van een nieuwe regering af en beslist dan;

Huidig bedrijf wordt zo-wie-zo verkocht maar of ander bedrijf wordt terug gekocht is nog de vraag.”

en van een op 24 mei 2012 gevoerd gesprek:

“Met [de bestuurder] enige brainstormsessie gehad over de hoeveelheid spaargeld dat met regelmaat naar Portugal moet om daar de kasstroom in evenwicht te houden.

[de bestuurder] heeft de zorg voort 4 personeelsleden die de 200 mk + 200 jv verzorgen; het bedrijf omvat 48 ha grond + gebouwencomplex.

Het voer is schreeuwend duur en de zuivel brengt veel te weinig op.

Volgens [de bestuurder] wil hij de boerderij wel verkopen; heeft er een vraagprijs op staan van € 400k

de boerderij heeft destijds gekost de opbrengstprijs van 600 ton melkquotum, dus een enorme aderlating.

Als [de bestuurder] de boerderij verkocht heeft wil hij zich storten op een nieuw project; diverse klataantekeningen gezien o.a. met olijven, kurkbomen en evt in combinatie met melkvee.

Voor zijn innovaties zouden subsidies vanuit Brussel beschikbaar zijn, bancaire financieringen vanuit Portugal mogen niet worden verwacht. Het zal dus met grotendeels eigen vermogen moeten

[de bestuurder] heeft zijn hoop gevestigd op [de bank] -organisatie. Hem aangegeven dat ik wel eens in Utrecht een balletje wil opwerpen maar dat hij niet teveel hoop daarop moet koesteren.

[de bestuurder] hoopt niet dat al zijn spaargeld nog in de bodemloos lijkende put verdwijnt, hij wil nog wel ergens in het Midden van Nederland een woninkje hebben van waaruit hij dan zou kunnen reizen tussen NL en POR.(…)”

2.15.

In 2014 heeft [de bestuurder] de roerende zaken van zijn onderneming in Portugal verkocht en de onderneming gestaakt. In 2015 heeft hij vervolgens ook de onroerende zaken van zijn onderneming in Portugal verkocht. Een deel van de opbrengst van de verkoop van deze onroerende zaken is door [de bestuurder] gebruikt voor de aanschaf van een woning in [plaats] in augustus 2015 voor een bedrag van € 255.000.

2.16.

Op 27 september 2016 heeft belanghebbende aangifte Vpb 2014/2015 gedaan naar een belastbare winst van € 11.356 en een zelfde belastbaar bedrag. In die aangifte heeft belanghebbende een vordering op [de bestuurder] aangegeven van € 512.000 en in haar belastbare winst heeft zij, overeenkomstig haar jaarrekening 2014/2015, de rentebaten op die vordering van € 20.480, te weten 4% van € 512.000, verwerkt.

2.17.

In de op 24 november 2016 opgemaakte jaarrekening 2013/2014 van belanghebbende is, blijkens de toelichting op de balans onder het kopje “vordering op onderneming in Portugal” geldverstrekking 1 afgewaardeerd met € 782.240 en op balansdatum 30 april 2014 onder de post “overige vorderingen” opgenomen voor een waarde van nihil. Daarnaast heeft belanghebbende, blijkens de toelichting op de balans onder het kopje “vorderingen op participanten en maatschappijen waarin wordt deelgenomen, [de bestuurder] ” op balansdatum 30 april 2014 het bedrag van haar vordering uit hoofde van geldverstrekking 2, € 721.760, gesaldeerd met de rekening-courantschuld van € 108.921, waarna een vordering tot een bedrag van € 612.839 resteert. Deze vordering heeft belanghebbende afgewaardeerd met een bedrag van € 100.839, zodat op balansdatum 30 april 2014 op de balans nog een vordering op [de bestuurder] van € 512.000 resteert.

2.18.

Blijkens de op 4 januari 2017 opgemaakte jaarrekening 2014/2015 bedroeg het eigen vermogen van belanghebbende op 30 april 2014 € 685.596 en 30 april 2015 € 696.286.

2.19.

Bij brief van 17 mei 2017 heeft de Inspecteur vragen gesteld aan belanghebbende over de aangifte Vpb 2014/2015. Bij de aanslag in de Vpb 2014/2015 is de Inspecteur van de aangifte afgeweken en heeft hij de rentebaten op de vorderingen van belanghebbende op [de bestuurder] met € 39.679 verhoogd tot een totaalbedrag aan rentebaten van € 60.159, zijnde 4% van € 1.504.00. De Inspecteur heeft de aanslag aldus berekend naar een belastbare winst en belastbaar bedrag van € 51.035.

2.20.

De accountant van belanghebbende heeft de Inspecteur in de correspondentie over de aangifte Vpb 2014/2015 bij e-mailbericht van 13 oktober 2017 het volgende geschreven:

“Dit is de juiste vermogens opstelling:

Met [naam3] en [naam4] heb ik een opstelling gemaakt van vermogen [de bestuurder] , wat is reeel, wat kan hij nog terug betalen aan de BV? (situatie augustus 2015)

2,6 ha grond in [vestigingsplaats]

80.000

2 vakantiewoningen

125.000

bedrijf in Portugal

380.000

(deze miste er dus)

Schuld bij de bank

-/- 45.000

Schuld erfenis

-/- 28.000

totaal

512.000

Volgens ons was de afwaardering een kwijtschelding, de kans dat het geld wordt betaald is nihil.

Vakantiewoningen:

Dhr. [de bestuurder] heeft meerdere adressen gehad na terugkeer uit Portugal.

Meestal waren dit vakantiewoningen.

Omdat hij hier niet permanent mocht wonen, kocht hij weer een andere en werd de oude weer verkocht.

Het kan zijn dat hij in aug 2015 net 2 in bezit had.”

3 Geschil

3.1.

In geschil is of de Inspecteur terecht een hoger bedrag aan rentebaten in aanmerking heeft genomen ter zake van door belanghebbende aan [de bestuurder] verstrekte geldleningen. Het geschil spitst zich toe op de vraag of deze geldleningen voorafgaand aan het onderhavige boekjaar zijn verminderd doordat ter zake daarvan op de door belanghebbende gestelde momenten winstuitdelingen (onttrekkingen) zijn te constateren.

3.2.

Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend en concludeert tot vernietiging van de uitspraken van de Rechtbank en de Inspecteur, en tot vermindering van de aanslag. Belanghebbende stelt daartoe primair dat ten aanzien van geldverstrekking 1 sprake is van een winstuitdeling op 30 april 2014, zijnde het moment van het besluit tot remigratie, ten bedrage van € 161.319 (= € 782.240 -/- € 512.000 -/- € 108.921) en ten aanzien van geldverstrekking 2 dat sprake is van een winstuitdeling op 2 september 2011 (ten tijde van de geldverstrekking) ten bedrage van € 650.000, dan wel op 24 mei 2012 (het moment van het gesprek met [de bank] ) ten bedrage van € 650.000 + de aangegroeide rente, dan wel op 30 april 2014 (het moment van het besluit tot remigratie) ten bedrage van € 650.000 + dan aangegroeide rente. Cijfermatig komt dit standpunt erop neer dat alleen rente dient te worden berekend over de op balansdatum 30 april 2014 in de jaarrekening van belanghebbende opgenomen vordering op [de bestuurder] van € 512.000, zodat het belastbaar bedrag conform de aangifte dient te worden vastgesteld op € 11.356.

Subsidiair stelt belanghebbende zich op het standpunt dat alleen ten aanzien van geldverstrekking 2 sprake is van een winstuitdeling op de in het primaire standpunt vermelde respectieve momenten en voor de daar genoemde bedragen. Cijfermatig komt dit standpunt erop neer dat alleen rente dient te worden berekend over een vordering van € 673.319 (= € 512.000 + € 161.319), hetgeen een rentecorrectie betekent van € 6.452 (4% van € 673.319) en een in aanmerking te nemen belastbaar bedrag van € 17.808.

3.3.

De Inspecteur betwist de standpunten van belanghebbende en concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank. De Inspecteur doet hierbij een beroep op interne compensatie voor een bedrag ter grootte van het bedrag aan rente (€ 4.357) over de rekening-courantschuld van belanghebbende aan [de bestuurder] ad € 108.921, waarmee bij de berekening van de correctie door de Inspecteur ten onrechte geen rekening is gehouden. Belanghebbende betwist dit beroep op interne compensatie niet, zodat deze kwestie geen onderdeel (meer) is van het onderhavige geschil.

4 Beoordeling van het geschil

5 Griffierecht en proceskosten

6 Beslissing