Home

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 25-11-2025, ECLI:NL:GHARL:2025:7594, 24/1276 en 24/1277

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 25-11-2025, ECLI:NL:GHARL:2025:7594, 24/1276 en 24/1277

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
25 november 2025
Datum publicatie
5 december 2025
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2025:7594
Zaaknummer
24/1276 en 24/1277
Relevante informatie
Art. 28c Iw 1990, Art. 6:119 BW, Art. 6:119a BW, Art. 4:98 Awb, Art. 30ha AWR

Inhoudsindicatie

Belastingrente en invorderingsrente.

Uitspraak

locatie Arnhem

nummers BK-ARN 24/1276 en 24/1277

uitspraakdatum: 25 november 2025

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

Maatschap [belanghebbende] te [vestigingsplaats] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 17 mei 2024, nummers ARN 20/1236 en 20/3523, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Utrecht (hierna: de Inspecteur)

en

de ontvanger van de Belastingdienst/Kantoor Utrecht (hierna: de Ontvanger)

1 Ontstaan en loop van het geding

24/1276 belastingrente

1.1.

Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 2015 tot en met 31 maart 2015 (hierna: Q1 2015) belastingrente vergoed.

1.2.

Belanghebbende heeft op 19 oktober 2019 hiertegen bezwaar gemaakt.

1.3.

De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar het bezwaar gegrond verklaard en de vergoeding van belastingrente verhoogd.

1.4.

Belanghebbende heeft daartegen, op 28 februari 2020, beroep ingesteld bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft zich onbevoegd verklaard.1

1.5.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.6.

Het Hof heeft het hoger beroep gegrond verklaard, de Rechtbank bevoegd verklaard en de zaak teruggewezen naar de Rechtbank.2

24/1277 invorderingsrente

1.7.

Belanghebbende heeft bij brief van 19 oktober 2019 een verzoek gedaan om vergoeding van invorderingsrente op grond van artikel 28c van de Invorderingswet 1990 (hierna: IW).

1.8.

Op 28 februari 2020 heeft belanghebbende beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op het verzoek.

1.9.

Bij beschikking van 22 april 2020 heeft de ontvanger het verzoek om vergoeding van invorderingsrente op grond van artikel 28c van de IW afgewezen.

24/1276 en 24/1277

1.10.

De Rechtbank heeft het beroep tegen de beschikking belastingrente ongegrond verklaard. De Rechtbank heeft het beroep tegen de beschikking invorderingsrente gegrond verklaard, de beschikking van 22 april 2020 vernietigd, bepaald dat invorderingsrente moet worden vergoed conform de punten 28 tot en met 31 van de uitspraak en de Ontvanger veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 875 en vergoeding van het griffierecht van € 354. Voorts is de Staat veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade voor een bedrag van € 3.000.

1.11.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld

1.12.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 oktober 2025. Daarbij zijn verschenen en gehoord [naam1] namens belanghebbende, alsmede mr. [naam3] en [naam4] namens de Inspecteur en [naam5] en [naam6] namens de Ontvanger. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd.

2 Vaststaande feiten

2.1.

Op 27 oktober 2014 hebben [naam1] en [naam2] (hierna: het echtpaar) een koop-aannemingsovereenkomst gesloten voor de bouw van een woning aan de [adres1] 72 te [plaats1] (hierna: de woning). Op 9 februari 2015 is het perceel aan het echtpaar geleverd.

2.2.

Belanghebbende heeft voor Q1 2015 een aangifte omzetbelasting ingediend en daarin verzocht om een teruggaaf van € 15.616.

2.3.

De Inspecteur heeft een boekenonderzoek bij belanghebbende ingesteld, waarvan een controlerapport is opgemaakt. In het controlerapport is onder meer het volgende vermeld:

“(…) 3.2 Onroerend goed

Op 9 februari 2015 werd gekocht een perceel bouwgrond (bouwnummer 1A) gelegen aan de [adres1] 72 te [plaats1] , kadastraal bekend gemeente [kadastraalnummer] . De koopprijs bedroeg € 176.162 exclusief € 36.994 OB.

Op het perceel bouwgrond zal een uit drie verdiepingen bestaande woning gebouwd worden tegen een aanneemsom van € 280.470 inclusief OB.

Na gereedkomen van de woning, vermoedelijk in 2016, zal de woning betrokken worden door het echtpaar de heer en mevrouw [naam1en2] , tevens de maten van belastingplichtige. Het voornemen is om de zolderverdieping vanuit de maatschap belast te gaan verhuren aan [bedrijf1] BV met fiscaalnummer [nummer1] , zijnde de BV waarvan mevrouw [naam2] de enige aandeelhouder is. De zolderverdieping zal dus worden toegerekend aan het bedrijfsvermogen voor de OB.

De zolderverdieping kan enkel bereikt worden via de delen van de woning welke privé gebruikt gaan worden. De zolderverdieping heeft daarom onvoldoende zelfstandigheid voor verhuur aan een willekeurig derde. Uit recente jurisprudentie echter, blijkt dat ingeval er in dergelijke gevallen daadwerkelijk huurbedragen worden overgemaakt naar de bankrekening van de verhuurder, het toch beschouwd kan worden als verhuur van onroerend goed.

3.3

Voorbelasting

Aan voorbelasting is in aftrek gebracht een bedrag van € 15.616. Dit bedrag is vastgesteld aan de hand van 3 facturen welke volledig betrekking hebben op de aankoop van het perceel bouwgrond. Het totaalbedrag van de OB op deze facturen bedraagt € 41.062. Van dit bedrag is 38% geclaimd.

Het percentage 38 heeft belastingplichtige bepaald door de verhouding in oppervlakte tussen de zolder en de rest van de woning te bepalen. Voor de zolder wordt een oppervlakte van bijna 56 m2 genomen. Voor de rest van de woning wordt uitgegaan van de slaapkamers en de huiskamer. Het totaaloppervlak van de woning bedraagt volgens belastingplichtige op deze manier 147 m2.

(…)

De door mij becijferde oppervlakte van de zolder bedraagt 56,7 m2. Het totaaloppervlak van de woning inclusief garage bedraagt 233,5 m2. Op de normale bouwkosten kan belastingplichtige daarom (afgerond naar boven) 25% aftrekken.

Tot de normale bouwkosten behoren in ieder geval niet de inrichting van de badkamer en de keuken.

Ook over de aankoop van de grond is belastingplichtige van mening dat 38% van de OB welke betrekking heeft op de levering van.de grond aftrekbaar is. Hetzelfde genoemde besluit wordt door belastingplichtige gebruikt ter onderbouwing, ditmaal onderdeel 3.2.3.

(…)

De oppervlakte van de zolder is 56,7 m2. De zolder is 1/3 deel van de woning. Derhalve kan 1/3 deel van 56,7 m2 worden toegerekend aan de grond welke wordt gebruikt voor de zolder. Het totaaloppervlak van het bouwterrein bedraagt 617 m2.

De aan de grond, die uiteindelijk bestemd is voor belast gebruik door de maatschap direct toerekenbare voorbelasting bedraagt 3,07%, afgerond 4%. Vanwege deze afronding hoeft nu ook geen rekening meer gehouden te worden met bijvoorbeeld een parkeerplaats voor zakelijk bezoek.

De correctie is als volgt berekend: aftrekbaar is 4% van € 41.062 is € 1.643. In aftrek is gebracht € 15.616. De correctie bedraagt € 13.973.

Over het 1e kw. 2015 wordt daarom een teruggaaf verleend van € 1.643.

(…)”

2.4.

De Inspecteur heeft bij beschikking van 2 januari 2016 een teruggaaf verleend van € 1.643.

2.5.

Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt.

2.6.

Met dagtekening 14 oktober 2016 heeft de Inspecteur het bezwaar ongegrond verklaard.

2.7.

Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld.

2.8.

Hangende het beroep heeft de Inspecteur bij brief van 30 november 2016 medegedeeld dat alsnog een aanvullende teruggaaf wordt verleend uitgaande van een aftrekpercentage van 30 en dat deze teruggaaf wordt verleend om proceseconomische redenen. Bij beschikking van 17 februari 2017 heeft de Inspecteur deze aanvullende (ambtshalve) teruggaaf van € 10.685 verleend. Dit bedrag heeft de Ontvanger op 10 februari 2017 overgemaakt op een bankrekening ten name van belanghebbende en het bedrag is een aantal dagen daarna door belanghebbende ontvangen. De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en beslist dat belanghebbende recht had op een teruggave van € 12.328 (€ 1.643 + € 10.685). Belanghebbende heeft daartegen hoger beroep ingesteld.

2.9.

In hoger beroep heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden3 bij uitspraak van 18 juni 2019 geoordeeld dat de teruggaaf voor het eerste kwartaal 2015 € 13.972 dient te zijn, uitgaande van een ter zitting overeengekomen percentage van belast gebruik van de woning van 34. Het dictum van deze uitspraak luidt als volgt:

“Het Hof:

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissingen omtrent de immateriëleschadevergoeding en het griffierecht.

- verklaart het bij de Rechtbank ingestelde beroep gegrond,

- vernietigt de uitspraken van de Inspecteur,

- stelt de teruggaven omzetbelasting vast op € 13.972 (eerste kwartaal 2015), € 1.653 (derde kwartaal 2015), € 12.689 (vierde kwartaal 2015), € 3.303 (eerste kwartaal 2016) en € 995 (tweede kwartaal 2016),

- gelast dat aan belanghebbende over de teruggaven belastingrente wordt vergoed op de voet van artikel 30ha Algemene wet inzake rijksbelastingen,

- vernietigt de naheffingsaanslagen,

- vernietigt de beschikking belastingrente,

- stelt de dwangsom vast op € 1.140, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom verschuldigd was, dus vanaf 27 januari 20 17,

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1.536,

- gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt, te weten € 508 in verband met het hoger beroep bij het Hof.”

2.10.

Bij beschikking van 17 oktober 2019 heeft de Inspecteur een aanvullende teruggaaf van € 1.644 verleend (€ 13.972 -/- € 10.685 -/- € 1.643 = € 1.644) en is € 252 aan belastingrente vergoed.

2.11.

Bij brief van 19 oktober 2019 heeft belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de beschikking belastingrente en daarnaast verzocht om vergoeding van invorderingsrente. Deze brief vermeldt het volgende:

“Betreft: Bezwaar berekening belastingrente 30ha AWR,

verzoek vergoeding Irimierente 28c Invorderingswet,

ten name van [belanghebbende],

Geachte heer, mevrouw,

Hierbij tekenen wij bezwaar aan tegen de vastgestelde belastingrente bij de aanslag met aanslagnummer [nummer2]. Q1 2015, dagtekening 17 oktober 2019;

De reden van ons bezwaar is dat het Gerechtshof op 18 juni 201 9 de teruggaafbeschikking over dit kwartaal heeft vastgesteld op € 13.972.

De inspecteur had met dagtekening 2 januari 2016 over dit kwartaal slechts € 1.643 omzetbelasting teruggegeven. Sindsdien is nagelaten belastingrente te vergoeden, tot de kennisgeving van 17 oktober 2019. Bij laatstgenoemde beschikking wordt een bedrag van € 252 aan belastingrente vergoed.

Een vergoeding van belastingrente ten bedrage van € 252, berekend over een aanvullende belastingteruggave van € 12.329, welke teruggave vier-en-een-half jaar na dato wordt uitbetaald, voldoet niet aan de berekeningswijze van artikel 30ha, terwijl het Gerechtshof in haar dictum uitdrukkelijk gelast over de teruggave belastingrente te vergoeden op de voet van artikel 30ha AWR.

Wij verzoeken u derhalve de belastingrente op de voet van artikel 30ha AWR vast te stellen op een bedrag van € 1.923. Tevens verzoeken wij u Irimie-rente te vergoeden (artikel 28c Invorderingswet 1990) over de periode waarover geen belastingrente is vergoed. Tevens verzoeken wij u wettelijke rente te vergoeden over de periode waarover belastingrente en/of Irimie-rente ten onrechte niet is uitbetaald.

Indien u voornemens bent niet geheel aan onze bezwaren tegemoet te komen, dan worden wij graag in de gelegenheid gesteld onze bezwaren mondeling nader aan u toe te lichten. Tevens ontvangen wij in dat geval graag een toelichting op de berekende belastingrente, meer in het bijzonder over welke bedragen, welke perioden en naar welke percentages belastingrente is berekend en op welke wijze die berekening in overeenstemming zou zijn met artikel 30ha AWR en/of artikel 28c Invorderingswet.”

2.12.

Bij brief van 14 januari 2020 heeft belanghebbende de ontvanger in gebreke gesteld vanwege het uitblijven van een beslissing op het verzoek om vergoeding van invorderingsrente en verzocht om een dwangsom.

2.13.

De Inspecteur heeft uitspraak gedaan op het bezwaar tegen de belastingrente. Hij heeft daarbij belastingrente van € 502 vergoed over de aanvullende teruggaaf van € 10.685

2.14.

De Ontvanger heeft een bedrag van € 116 aan wettelijke rente berekend voor de renteperiode van 4 maart 2017 tot en met 19 februari 2020.

2.15.

Bij brief van 29 januari 2020 heeft de Ontvanger het verzoek om toekenning van een dwangsom afgewezen.

2.16.

De Rechtbank heeft ten aanzien van de belastingrente en de invorderingsrente – voor over hier van belang – als volgt overwogen:

“(…)

28. Het in de arresten [toevoeging Hof: van 28 januari 2022, ECLI:NL:HR:2022:89, en 3 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:132] bedoelde percentage is volgens de grafiek van de Nederlandsche Bank op 1 mei 2015 4,77. Dit betekent dat de ontvanger de te vergoeden invorderingsrente als volgt moet berekenen:

- 4,77% enkelvoudig over € 10.685 over de periode van 1 mei 2015 tot 17 februari 2017;

- 4,77% enkelvoudig over € 1.644 over de periode van 1 mei 2015 tot 17 oktober 2019.

29. Invorderingsrente wordt niet berekend over de periode dat ook belastingrente is vergoed. De rechtbank overweegt in dat verband als volgt.

30. De inspecteur heeft aan belanghebbende belastingrente vergoed. Hij is daarbij uitgegaan van een periode vanaf 1 januari 2016 tot 31 oktober 2019 (voor een bedrag van € 1.644) en tot 3 maart 2017 (voor een bedrag van € 10.685). Gelet op artikel 30ha van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) had de inspecteur uit moeten gaan van een periode vanaf 1 april 2016. In zoverre heeft de inspecteur teveel belastingrente vergoed. De inspecteur is hierbij uitgegaan van een rentepercentage van 4. Zoals hiervoor geoordeeld had de inspecteur uit moeten gaan van een rentepercentage van 4,77. In zoverre heeft de inspecteur te weinig rente vergoed. Omwille van eenvoud zal de rechtbank echter als volgt beslissen.

31. De rechtbank zal het beroep met betrekking tot de belastingrente ongegrond verklaren. In dit oordeel ligt ook besloten dat de rechtbank het standpunt van belanghebbende, dat de beschikking van 17 oktober 2019 ook heeft te gelden voor het bedrag van € 10.685, niet volgt. Artikel 30ha van de AWR staat er niet aan de weg de beschikking van 17 februari 2017 als een teruggaafbeschikking in de zin van deze bepaling te beschouwen. Dit met brengt zich dat daarmee vaststaat dat € 754 (€ 252 + € 502) aan belastingrente is vergoed. De ontvanger mag op de door hem te vergoeden invorderingsrente dit bedrag in mindering brengen. Belanghebbende ontvangt daarmee een bedrag aan rente waar hij op grond van het nationale recht en Unierecht recht op heeft.

(…)”

3 Geschil

3.1.

In geschil is of de Rechtbank terecht het griffierecht in de procedure met betrekking tot de belastingrente niet heeft vergoed. Tevens is in geschil of de Rechtbank terecht bij de berekening van de rente over het bedrag van € 10.685 is uitgegaan van een einddatum van 17 februari 2017. Ook is in geschil of meer wettelijke rente moet worden vergoed.

3.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat terecht geen rente is vergoed over de teruggaaf van € 1.643 (2.4) en ook is de rentevergoeding ten aanzien van de teruggaaf van € 1.644 (2.9) niet in geschil.

4 Beoordeling van het geschil

5 Griffierecht en proceskosten

6 Beslissing