Home

Gerechtshof Den Haag, 22-12-2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:2593, BK-21/00324

Gerechtshof Den Haag, 22-12-2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:2593, BK-21/00324

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
22 december 2021
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2021:2593
Zaaknummer
BK-21/00324

Inhoudsindicatie

Bron van inkomen. Stakingsresultaat.

Uitspraak

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-21/00324

in het geding tussen:

en

(vertegenwoordiger: […] )

op het hoger beroep van belanghebbende en het incidenteel hoger beroep van de Inspecteur tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 13 april 2021, nummer SGR 20/3553.

Procesverloop

1.1.

Aan belanghebbende is over het jaar 2016 een aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van negatief € 13.882 (de aanslag 2016). Bij gelijktijdig gegeven beschikking is een bedrag van € 165 aan belastingrente vergoed (de belastingrentebeschikking).

1.2.

Bij uitspraak op bezwaar is de Inspecteur gedeeltelijk aan de bezwaren van belanghebbende tegen de aanslag 2016 tegemoetgekomen en heeft het verzamelinkomen op een lager bedrag vastgesteld.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake daarvan is een griffierecht geheven van € 48. De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard. De beslissing van de Rechtbank luidt als volgt:

“- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar ten aanzien van het stakingsresultaat en de voorraad;

- vermindert de aanslag tot een rekening houdend met een voorraadwaarde van € 5.000;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

- draagt [de Inspecteur] op het betaalde griffierecht van € 48 aan [belanghebbende] te vergoeden”.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake daarvan is een griffierecht geheven van € 134. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend en daarbij incidenteel hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft daarop gereageerd bij brief, binnengekomen bij het Hof op 26 augustus 2021.

1.5.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 2 november 2021. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2.1.

Belanghebbende was actief in de tapijt- en vinylsector onder de handelsnaam ‘ [A] ’. De resultaten van [A] zijn volgens de ingediende aangiften IB/PVV:

Jaar Omzet Totale bedrijfs- Winst vóór Belastbare

lasten ondernemersaftrek winst

2019 -/- € 30.369 -/- € 26.118

2018 € 5.329 € 16.888 -/- € 11.559 -/- € 9.941

2017 € 9.198 € 20.945 -/- € 11.747 -/- € 10.103

2016 € 5.195 € 15.935 -/- € 10.490 -/- € 9.022

2015 € 7.000 € 18.578 -/- € 11.328 -/- € 9.743

2014 € 16.138 € 30.283 -/- € 14.145 -/- € 12.165

2013 € 40.419 € 41.560 -/- € 1.141 -/- € 2.697

2012 € 101.389 € 116.657 -/- € 15.268 -/- € 23.634

2011 € 144.739 € 144.456 € 283 € 249

2010 € 166.012 € 244.068 € 46.181 € 37.461

2.2.

Belanghebbende heeft in 2012 een pand gelegen op het adres [adres] te [vestigingsplaats] gekocht en ingericht als voorraadopslag, kantoor, showroom en verblijf (het pand). In de loop van 2013 is de buurtwinkel van [A] gesloten en vanaf dat moment werd gewerkt aan een heel andere bedrijfsopzet: een nieuwe locatie op een bedrijventerrein en een grote rol voor internet en een website.

2.3.

Bij het opleggen van de aanslag 2016 is de Inspecteur afgeweken van de aangifte door uit te gaan van een staking van [A] per 31 december 2016 en een stakingsverlies in aanmerking te nemen. De winst uit onderneming vóór de MKB-winstvrijstelling is vastgesteld op negatief € 44.539.

2.4

Na bezwaar heeft de Inspecteur het stakingsresultaat met € 5.000 verlaagd wegens een lagere waarde van de voorraad ten tijde van de staking. De winst uit onderneming vóór de MKB-winstvrijstelling is vastgesteld op negatief € 49.539.

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft geoordeeld:

Bron van inkomen

13. Van een bron van inkomen is sprake als wordt deelgenomen aan het economische verkeer met het doel om voordeel te behalen en het behalen van voordeel in redelijkheid kan worden verwacht. De vraag of in enig jaar sprake is van een objectieve voordeelsverwachting moet in beginsel worden beantwoord op basis van feiten en omstandigheden van dat jaar. Feiten en omstandigheden van andere jaren kunnen echter licht werpen op het antwoord op de vraag of in het betreffende jaar sprake is van een objectieve voordeelsverwachting en mogen daarom mede in aanmerking worden genomen (vergelijk Hoge Raad, ECLI:NL:HR:2011:BP5707 en Hoge Raad ECLI:NL:HR:2012:BW8348).

14. Zoals [hiervoor, Hof] weergeven is er vanaf 2012 tot en met 2018 sprake van een jarenlang negatief resultaat. Dan brengt een redelijke verdeling van de bewijslast mee dat [belanghebbende] feiten en omstandigheden aannemelijk moet maken die de conclusie rechtvaardigen dat desalniettemin sprake is van een objectieve voordeelsverwachting. [Belanghebbende] heeft in dit kader (samengevat) aangevoerd dat bij het onder 2 weergegeven overzicht rekening moet worden gehouden met de omstandigheden dat i) in de jaren 2010 tot en met 2013 sprake was van een economische crisis waardoor de branche zwaar getroffen werd, ii) [belanghebbende] in de jaren 2012 en 2013 met een nieuwe bedrijfsformule is gestart en de jaren 2012, 2013 en 2014 in het teken hebben gestaan van het maken van kosten in verband daarmee en hij tegen allerlei aanloopperikelen aanliep, en iii) dat de jaren 2015, 2016 en 2017 worden gekenmerkt door liquiditeitsproblemen als gevolg van de vrijval van een herinvesteringsreserve en de aflossing van een negatief saldo op een rekening-courant.

15. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [belanghebbende] hiermee geen feiten en omstandigheden gesteld die de conclusie kunnen rechtvaardigen dat er in het onderhavige jaar objectief gezien sprake was van een redelijkerwijs te verwachten voordeel. Ook als acht wordt geslagen op deze omstandigheden is er in 2016 naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een redelijkerwijs te verwachten voordeel. De rechtbank wijst daarbij op de teruglopende omzet vanaf 2010 met als dieptepunt een netto-omzet in 2016 van € 552. Vanaf 2012 overstijgen bovendien de kosten steeds de omzet en vanaf 2015 worden er nog maar zeer geringe omzetten behaald. Gelet daarop kan niet worden gezegd dat met de activiteiten redelijkerwijs nog kan worden verwacht dat positieve opbrengsten behaald zullen worden. Dat de economische crisis en de andere door [belanghebbende] genoemde omstandigheden daar een rol in hebben gespeeld, maakt dat niet anders. De vraag of sprake is van een objectieve voordeelsverwachting betekent niet dat alle invloeden van buitenaf buiten beschouwing moeten worden gehouden. Dat het teruglopende resultaat niet aan [belanghebbendes] nieuwe bedrijfsformule heeft gelegen maar aan allerlei andere factoren, maakt dus niet dat kan worden gesproken van een objectieve voordeelsverwachting. Dit betekent dat er geen sprake is van een bron van inkomen en [de Inspecteur] daarom terecht is uitgegaan van een staking.

Stakingsresultaat - voorraad

16. [ Belanghebbende] stelt dat de voorraad € 5.000 waard is. Hij voert daartoe aan dat de voorraad 6 tot 7 jaar oud en economisch afgeschreven is, niet courant is en in 2019 voor € 3.000 aan een derde partij verkocht is. [De Inspecteur] stelt daartegenover dat de voorraad € 15.000 waard is en wijst er daarbij op dat er winst wordt gemaakt op de geboekte voorraad omdat de omzet ieder jaar de inkoopkosten overstijgt. De rechtbank acht aannemelijk, gelet op het soort product, dat rekening gehouden moet worden met trendgevoeligheid en dat van de ouderdom van de voorraad in dit geval dus een waardedrukkend effect uitgaat. Uitgaande verder van de verkoopprijs in 2019 van € 3.000 acht de rechtbank een waarde in 2016 van € 5.000 aannemelijk. Het standpunt van [de Inspecteur] volgt de rechtbank niet nu de voorgestane waarde van € 15.000 verder niet is onderbouwd.

Stakingsresultaat - pand

17. [ De Inspecteur] is bij de vaststelling van de aanslag uitgegaan van de WOZ-waarde van het pand voor 2018 van € 127.000, hetgeen inhoudt dat de waarde in het economische verkeer van het pand op (waardepeildatum) 1 januari 2017 op € 127.000 is vastgesteld. [Belanghebbende] stelt dat de waarde lager moet zijn en wijst op de WOZ-waarde voor 2016 van € 109.000 met waardepeildatum 1 januari 2015. Hiermee maakt [belanghebbende] een lagere WEV van het pand niet aannemelijk. Naar het oordeel van de rechtbank ligt het voor de hand uit te gaan van de WOZ-waarde die het dichtst bij het stakingsjaar ligt, in dit geval dus die van 2018 met waardepeildatum 1 januari 2017.

Stakingsresultaat - liquidatiekosten

18. [ Belanghebbende] stelt ten slotte nog mogelijke huurinkomsten te zijn misgelopen en liquidatiekosten te hebben gemaakt vanwege de lange duur en omdat [de Inspecteur] met terugwerkende kracht heeft bepaald dat sprake is van staking. De rechtbank volgt [belanghebbende] hierin niet. Voor wat betreft eventueel misgelopen huurinkomsten is geen sprake van gemaakte kosten en voor het overige zijn de gestelde kosten niet onderbouwd en acht de rechtbank niet aannemelijk dat ze zijn gemaakt.

19. Gelet op wat onder 16 is overwogen, dient het beroep gegrond te worden verklaard.

Proceskosten

20. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Niet is gebleken van voor vergoeding in aanmerking komende kosten.”

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

Beoordeling van het hoger beroep

Proceskosten

Beslissing