Home

Gerechtshof Den Haag, 25-10-2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:2112, BK-22/00017 tot en met BK-22/00021

Gerechtshof Den Haag, 25-10-2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:2112, BK-22/00017 tot en met BK-22/00021

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
25 oktober 2023
Datum publicatie
6 december 2023
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2023:2112
Formele relaties
Zaaknummer
BK-22/00017 tot en met BK-22/00021
Relevante informatie
Art. 10a Wet Vpb 1969, Art. 30f AWR

Inhoudsindicatie

Vennootschapsbelasting. Fiscale eenheid tot stand gekomen? Renteaftrek terecht gecorrigeerd? Compenserende heffing als bedoeld in artikel 10a, lid 3, Wet Vpb (tekst tot en met 2006). Geen beperking van de heffingsrente in verband met lange behandelduur van de bezwaarschriften, wel immateriëleschadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn.

Uitspraak

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummers BK-22/00017 tot en met BK-22/00021

in het geding tussen:

(gemachtigde: I. de Roos)

en

(vertegenwoordiger: […] )

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 9 december 2021, nummers SGR 20/2453, 20/2455, 20/2460, 20/2462 en 20/2464.

Procesverloop

1.1.

Aan belanghebbende zijn voor de jaren 2001 tot en met 2005 aanslagen in de vennootschapsbelasting opgelegd; voor het jaar 2001 een aanslag van nihil en voor de jaren 2002 tot en met 2005 aanslagen naar belastbare bedragen van respectievelijk € 750.137 (2002), € 973.576 (2003), € 774.646 (2004) en € 293.907 (2005). Bij gelijktijdig gegeven beschikkingen is het verlies van het jaar 2001 vastgesteld op € 5.955 en heeft de Inspecteur aan belanghebbende bedragen van respectievelijk € 13.203 (2002), € 9.154 (2003), € 5.190 (2004) en € 9.061 (2005) aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.2.

Bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur de onder 1.1 vermelde aanslagen en beschikkingen gehandhaafd.

1.3.1.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. In verband daarmee is een griffierecht geheven van eenmaal € 354.

1.3.2.

Bij beslissing van 2 februari 2021 heeft de geheimhoudingskamer van de Rechtbank geoordeeld dat het verzoek van de Inspecteur om beperkte kennisneming ex artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van een vaststellingsovereenkomst die is gesloten met de heer [A] , slaagt. Belanghebbende heeft bij brief van 23 februari 2021 toestemming verleend voor beperkte kennisneming van dat stuk.

1.3.3.

De beslissing van de Rechtbank luidt als volgt, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:

“De rechtbank:

- verklaart het beroep gericht tegen de aanslag vennootschapsbelasting 2004 gegrond;

- vernietigt de bestreden uitspraak op bezwaar voor zover deze de aanslag vennootschapsbelasting voor het jaar 2004 betreft;

- vermindert de aanslag vennootschapsbelasting voor het jaar 2004 tot een berekend naar een belastbaar bedrag van € 763.706;

- vermindert de rentebeschikking 2004 overeenkomstig de vermindering van de aanslag voor het jaar 2004;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van de uitspraak op bezwaar;

- verklaart de overige beroepen ongegrond;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 3.039;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 354 aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt verweerder tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan eiseres tot een bedrag van € 2.500.”

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank en de tussenuitspraak van de geheimhoudingskamer hoger beroep ingesteld bij het Hof. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 548. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.1.

Omdat het in 1.4 vermelde hoger beroep mede is gericht tegen de tussenuitspraak van de Rechtbank heeft de meervoudige kamer van het Hof het vooronderzoek geschorst en de zaken verwezen naar de geheimhoudingskamer van het Hof.

1.5.2.

De Inspecteur heeft de in 1.3.2 vermelde vaststellingsovereenkomst overgelegd aan de geheimhoudingskamer van het Hof en daarbij verzocht om beperkte kennisneming ex artikel 8:29 Awb.

1.5.3.

Bij beslissing van 24 augustus 2022 heeft de geheimhoudingskamer geoordeeld dat het verzoek om beperkte kennisneming slaagt.

1.5.4.

Belanghebbende heeft ter zitting van het Hof toestemming verleend aan het Hof om mede op grondslag van de stukken ten aanzien waarvan de Inspecteur een gerechtvaardigd verzoek om geheimhouding heeft gedaan, uitspraak te doen.

1.6.

Van de zijde van belanghebbende is op 23 juni 2023 een nader stuk ontvangen.

1.7.

De mondelinge behandeling van de zaken heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 5 juli 2023. Partijen zijn verschenen. Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota overgelegd. Van het verhandelde ter zitting is een proces verbaal opgemaakt.

Feiten

2.1.

De heren [B] en [A] dreven samen een onderneming waarbij zij voornamelijk bijna failliete vennootschappen opkochten, “gezond maakten” en verkochten. Zij brachten de projecten onder in vennootschappen die indirect toebehoorden aan [B] .

2.2.

Tot de structuur behoorde [Ltd 1] , opgericht naar het recht van de Britse Maagdeneilanden. Het aandelenkapitaal van [Ltd 1] bestaat uit één toonderaandeel. Het toonderaandeel [Ltd 1] bevond zich tot 2001 in het woonhuis van [B] en is in dat jaar ondergebracht in de naar het recht van de Nederlandse Antillen opgerichte [Stichting 1] .

2.3.

[Ltd 1] was in de onderhavige jaren enig aandeelhouder van [N.V. 1] en [N.V. 2] . [Ltd 1] was tevens (indirect) aandeelhouder van [N.V. 3] . [N.V. 1] , [N.V. 2] en [N.V. 3] zijn naar het recht van de Nederlandse Antillen opgerichte vennootschappen. Via haar 100% aandelenbelang in [N.V. 2] hield [Ltd 1] sinds 5 oktober 2001 indirect 90% van de aandelen in belanghebbende. De overige aandelen in belanghebbende werden sinds dezelfde datum gehouden door de heer [C] .

2.4.1.

[B.V. 1] , waarvan de naam later is gewijzigd in [B.V. 2] , destijds een 100%-dochtermaatschappij van [B.V. 3] , heeft in november 1997 de juridische eigendom van alle aandelen in [B.V. 4] en [B.V. 5] verkregen. [N.V. 1] heeft vervolgens via een stichting 70% van de economische eigendom van de aandelen in [B.V. 4] verworven. In een op 15 november 1997 gedateerde participatieovereenkomst zijn [N.V. 1] en [B] overeengekomen dat [N.V. 1] 50% van haar economische belang bij de aandelen in [B.V. 4] houdt voor rekening en risico van [B] . [B.V. 3] hield via [B.V. 2] de resterende 30% van de economische eigendom van de aandelen in [B.V. 4] .

2.4.2.

De in 2.4.1 bedoelde participatieovereenkomst van 15 november 1997 luidt, voor zover van belang, als volgt:

“De ondergetekenden,

(…)

2. [ [B] ] (…), hierna te noemen “de Investeerder”

Overwegende dat:

“1. [N.V. 1] op 25 november 1997 een belang van 70% (hierna te noemen ‘het Belang’) heeft verworven in [ [B.V. 4] ], middels een certificaat, uitgegeven door de [Stichting 2] te [vestigingsplaats] , rechtgevende op 28 gewone aandelen voor de prijs van f 12.500,- per aandeel;

2. Een deel van het Belang, overeenkomende met 14 aandelen [ [B.V. 4] ] van elk NLG 1.000,- nominaal of 35% van het totale aandelenkapitaal van [ [B.V. 4] ] is gekocht voor rekening en risico van de Investeerder (hierna te noemen “de Participatie”)

(…)

Artikel 3. Uitkeringen

14/28 deel van door [N.V. 1] op grond van het Belang ontvangen uitkeringen zal onmiddellijk na ontvangst worden betaald aan de Investeerder, op een door de Investeerder alsdan op te geven wijze.

Artikel 5. Verkoop van het Belang door [N.V. 1]

In het geval van verkoop door [N.V. 1] van (een deel van) het Belang, wondt verondersteld dat de verkoop voor 14/28 deel betrekking heeft op de Participatie en zal [N.V. 1] de eventuele bate, per omgaande betalen aan de Investeerder, op een door de Investeerder alsdan op te geven wijze.”

2.5.

[N.V. 3] heeft op 16 augustus 2001 alle aandelen in [B.V. 2] van [B.V. 3] verworven voor een bedrag van NLG 1.530.000. Hiermee verkreeg [N.V. 3] (indirect) de juridische en economische eigendom van de aandelen in [B.V. 5] en tevens (indirect) de juridische eigendom van de aandelen in [B.V. 4] . Daarbij heeft [N.V. 3] indirect ook 30% van de economische eigendom van de aandelen in [B.V. 4] verworven van [B.V. 3] . De overige 70% van de economische eigendom van de aandelen in [B.V. 4] heeft [N.V. 1] in 2001 voor een bedrag van NLG 8.470.000 verkocht aan [N.V. 3] . [N.V. 3] is de gehele koopsom schuldig gebleven aan [B.V. 3] respectievelijk [N.V. 1] .

2.6.1.

Op 5 november 2001 hebben [N.V. 3] en belanghebbende een overeenkomst gesloten met betrekking tot de verkoop door [N.V. 3] van alle aandelen in [B.V. 2] aan belanghebbende voor een bedrag van NLG 10.000.000. Volgens een ‘Overeenkomst van geldlening’ van dezelfde datum heeft [N.V. 3] in verband met deze verkoop voor € 3.811.754 (NLG 8.400.000) een lening aan belanghebbende verstrekt (de leningsovereenkomst). Volgens de leningsovereenkomst dient belanghebbende aan [N.V. 3] vanaf de datum van overdracht van de aandelen [B.V. 2] een rente van 8% op jaarbasis te vergoeden over het uitstaande bedrag.

2.6.2.

Op 29 november 2001 heeft [N.V. 3] alle aandelen in [B.V. 2] aan belanghebbende geleverd. De ‘akte van overdracht van aandelen’ van 29 november 2001 luidt, voor zover van belang:

“(…)

1. (…) [ [N.V. 3] ] (…), deze vennootschap hierna te noemen: verkoper;

2. (…) [belanghebbende] (…), deze vennootschap hierna te noemen: koper.

(…)

B. Algemene garanties.

Verkoper garandeert koper dat:

a. hij ten tijde van deze verkoop en koop rechtmatige eigenaar is van de aandelen;

b. (…);

c. niemand enig pand- of ander zekerheidsrecht op enig recht van genot heeft op een of meer der aandelen of kan verlangen dat hem zodanig recht wordt verschaft;

d. (…);

e. (…);

f. (…);

g. (…) en dat niemand enig recht van winstuitkering – waaronder in deze akte ook tantièmes zijn begrepen – is toegekend;

(…)”

2.7.

Belanghebbende heeft de Inspecteur verzocht om met ingang van 1 januari 2002 vennootschapsbelasting te heffen op de voet van artikel 15 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb), waarbij belanghebbende moedermaatschappij is en [B.V. 2] , [B.V. 4] en [B.V. 5] de gevoegde dochtermaatschappijen. De Inspecteur heeft de gevraagde beschikking fiscale eenheid aan belanghebbende afgegeven. Belanghebbende heeft met ingang van het jaar 2002 als moedermaatschappij van deze fiscale eenheid aangiften vennootschapsbelasting ingediend.

2.8.

Belanghebbende heeft in verband met de leningsovereenkomst in haar aangiften vennootschapsbelasting rente in aftrek gebracht. De Inspecteur heeft deze renteaftrek niet geaccepteerd en heeft de belastbare bedragen voor de onderhavige jaren en het verlies van het jaar 2001 als volgt vastgesteld (in €):

2001

2002

2003

2004

2005

Aangegeven in aangifte

-/- 32.689

443.058

703.432

543.549

106.166

Correctie rente

26.734

307.079

270.144

204.090

187.741

Correctie verliesverrekening

27.007

Vastgesteld belastbaar bedrag

-/- 5.955

750.137

973.576

774.646

293.907

Vastgesteld verlies

5.955

nihil

nihil

nihil

nihil

2.9.

In 2011 heeft [A] om gezondheidsredenen besloten de in 1.3.2 vermelde vaststellingsovereenkomst (de vso) met de Belastingdienst te sluiten. De advocaten van [A] en van [B] (ook de advocaat van belanghebbende) hebben hierbij samengewerkt. Tot de stukken van het geding behoort een e-mailbericht van 21 maart 2013 van de advocaat van [A] aan [B] en een bijgevoegde notitie. Dit e-mailbericht luidt, onder meer, als volgt:

“Betreft: [A] /Fiscus-HB

Beste [ [B] ],

[ [A] ] is in overleg met de Belastingdienst teneinde een schikking te bereiken over alle fiscale geschillen.

(…)

Enige tijd geleden heeft de fiscus een voorzet voor een schikking gedaan. Die heb ik in bijgaand memo kort toegelicht.

(…).”

De bij dit bericht gevoegde notitie luidt, voor zover van belang, als volgt:

“NOTITIE INZAKE: [A] /FISCUS-HB

Deze notitie bevat een overzicht van de rekensom van de Belastingdienst die is gemaakt tijdens het overleg van 26 oktober jl.

1. (….)

2. (….)

3. (….)

4. (….)

5. (….)

6. Op de vordering [belanghebbende] wordt jaarlijks fl. 100K rente ontvangen.

Dat leidt tot een belastingbetaling tot en met 2008 van € 0,3 mio

------------

7. Deze rekensom leidt tot een belastingbetaling tot en met 2008 van € 1,8 mio

[plaats] , 20 november 2011 [advocaat [A] , Hof]”

2.10.

Op 14 april 2017 heeft de Hoge Raad arrest gewezen op het beroep in cassatie van [B] tegen de aan hem opgelegde navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2001 en de aanslagen IB/PVV 2003 tot en met 2006 (ECLI:NL:HR:2017:676, BNB 2017/222; het arrest).

2.11.

Bij beschikking van 10 februari 2020 heeft de Inspecteur op verzoek van belanghebbende en de gevoegde dochtermaatschappijen de fiscale eenheid per 1 januari 2020 beëindigd.

Oordeel van de Rechtbank

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

Beoordeling van het hoger beroep

Proceskosten en griffierecht

Beslissing