Home

Gerechtshof Den Haag, 28-02-2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:2905, 200.337.492/01

Gerechtshof Den Haag, 28-02-2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:2905, 200.337.492/01

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
28 februari 2024
Datum publicatie
10 december 2025
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2024:2905
Formele relaties
Zaaknummer
200.337.492/01
Relevante informatie
Art. 8:15 Awb, Art. 8:18 Awb

Inhoudsindicatie

Hoger beroep tegen beslissing wrakingskamer Rechtbank Rotterdam. Niet ontvankelijk.

Uitspraak

zaaknummer : 200.337.492/01

zaaknummer wrakingskamer Rechtbank : C/10/661784 / HA RK 23-690

zaaknummer hoofdzaak Rechtbank : ROT 22/2773

Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakings- en verschoningsverzoeken van 28 februari 2024

inzake het hoger beroep tegen de beslissing van de wrakingskamer van de Rechtbank Rotterdam (de Rechtbank) van 21 september 2023, nummer C/10/661784 / HA RK 23-690 van:

Procesverloop

1.1.

Bij de Rechtbank is onder zaaknummer ROT 22/2773 een procedure aanhangig tussen appellant en de heffingsambtenaar van het Samenwerkingsverband Vastgoedinformatie Heffing en Waardebepaling (de Heffingsambtenaar).

1.2.

Ter zitting van 6 juli 2023 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden bij de Rechtbank. Tijdens de zitting heeft appellant een verzoek tot wraking gedaan van G.C.W. van der Feltz, de behandelend rechter in de hoofdzaak (de gewraakte rechter).

1.3.

Bij beslissing van de meervoudige kamer voor wrakingszaken van de Rechtbank van 21 september 2023 is het wrakingsverzoek van appellant afgewezen.

1.4.

Bij brief, ingekomen ter griffie van het Hof op 3 november 2023, is appellant van deze beslissing in hoger beroep gekomen. Bij brief van 30 januari 2024 heeft appellant toegelicht waarom hij het niet eens is met de beslissing van de wrakingskamer van de Rechtbank en heeft hij de wrakingskamer van het Hof verzocht die beslissing te vernietigen en zijn wrakingsverzoek alsnog toe te wijzen.

1.5.

Bij e-mail van 8 februari 2024 heeft de gewraakte rechter laten weten dat hij niet berust in de wraking en dat hij niet ter zitting van de wrakingskamer van het Hof zal verschijnen.

1.6.

De mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft plaatsgevonden op 14 februari 2024. Appellant is verschenen.

Beoordeling van het hoger beroep

2.1.

Voordat het Hof het hoger beroep inhoudelijk zal kunnen beoordelen, dient het Hof de vraag te beantwoorden of appellant ontvankelijk is in het door hem ingestelde hoger beroep tegen de beslissing van de wrakingskamer van de Rechtbank.

2.2.

Ingevolge het bepaalde in artikel 8:18, lid 5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) staat tegen de beslissing op een wrakingsverzoek geen rechtsmiddel open. Dit is op grond van vaste rechtspraak slechts anders indien de wrakingskamer van de rechtbank de regeling met betrekking tot de wraking ten onrechte niet heeft toegepast of buiten het toepassingsgebied ervan is getreden, dan wel zodanig essentiële vormen niet in acht heeft genomen dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling niet kan worden gesproken. Wordt slechts geklaagd over de wijze waarop de regeling is toegepast, dan is dat onvoldoende om het rechtsmiddelenverbod te doorbreken (vgl. HR 22 januari 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2824, NJ 1999/24, ABRvS 29 april 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BD0798, HR 14 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3041, BNB 2015/46 en Gerechtshof Den Bosch 13 maart 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:642, het cassatieberoep tegen deze uitspraak is door de Hoge Raad afgedaan met toepassing van artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie op 23 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:659).

2.3.

Het Hof stelt vast dat gesteld noch gebleken is dat de regeling met betrekking tot de wraking ten onrechte niet is toegepast. Ook is niet gesteld of gebleken dat de wrakingskamer van de Rechtbank buiten het toepassingsgebied van voormelde regeling is getreden.

2.4.

Appellant stelt – kort samengevat – dat bij de behandeling van zijn wrakingsverzoek een zodanig fundamenteel rechtsbeginsel, te weten het beginsel van hoor en wederhoor, is veronachtzaamd dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling niet kan worden gesproken. Hij voert aan dat uit de beslissing van de wrakingskamer van de Rechtbank volgt dat de rechters zijn wrakingsgronden niet dan wel onvoldoende hebben gehoord. De wrakingsgronden zijn immers onvoldoende behandeld in de beslissing en een aantal wrakingsgronden zijn helemaal niet behandeld. De wrakingskamer lijkt het doel te hebben gehad om het wrakingsverzoek te neutraliseren en heeft geredeneerd naar deze voor hem dan wel de gewraakte rechter gewenste uitkomst. Hierdoor is geen sprake geweest van een eerlijke en onpartijdige behandeling van het wrakingsverzoek.

2.5.

Naar het oordeel van het Hof doet zich niet de situatie voor dat de wrakingskamer van de Rechtbank zodanig essentiële vormen niet in acht heeft genomen dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van het verzoek tot wraking niet kan worden gesproken. Het Hof licht dit oordeel als volgt toe.

2.5.1.

Het Hof stelt voorop dat appellant ter zitting van het Hof heeft verklaard dat hij zich tijdens de zitting van de wrakingskamer van de Rechtbank voldoende gehoord voelde; hij heeft de schriftelijke beslissing van de wrakingskamer echter ervaren als een verrassingsbeslissing omdat daarin zijn gronden naar zijn mening niet, ontoereikend dan wel onjuist zijn beoordeeld. Het enkele gegeven dat appellant de motivering van de beslissing op zijn wrakingsverzoek onjuist dan wel ontoereikend vindt, is geen reden voor doorbreking van het rechtsmiddelenverbod (vgl. HR 4 maart 1988, ECLI:NL:HR:1988:AB8701). In dit verband merkt het Hof op dat belanghebbende ter zitting heeft verklaard dat de stelling dat het motiveringsbeginsel is geschonden niet kan leiden tot doorbreking van het rechtsmiddelenverbod en dat hij daarom de stelling inneemt dat sprake is van schending van het beginsel van hoor en wederhoor.

2.5.2.

Voor zover al moet worden aangenomen dat de wrakingskamer van de Rechtbank zijn beslissing onjuist dan wel ontoereikend heeft gemotiveerd dan wel een wrakingsgrond ten onrechte niet bij de beoordeling heeft betrokken, volgt daaruit niet zonder meer dat sprake is van een schending van het hoor en wederhoorbeginsel die heeft geleid tot een oneerlijke en partijdige behandeling van zijn wrakingsverzoek. Zijn enkele stelling dat de mondelinge behandeling door de wrakingskamer van de Rechtbank slechts een formaliteit is geweest en dat de rechters voorafgaand aan de beoordeling van zijn wrakingsverzoek het doel zouden hebben gehad om naar de voor hen dan wel de gewraakte rechter gewenste uitkomst te redeneren, heeft appellant niet onderbouwd, laat staan aannemelijk gemaakt.

2.5.3.

Daarbij komt dat het Hof, anders dan appellant, aan de hand van de beslissing van de wrakingskamer van de Rechtbank concludeert dat daarin alle wrakingsgronden zijn behandeld die appellant heeft opgenomen in zijn brief van 21 juli 2023. Wrakingsgrond L, die volgens appellant ten onrechte buiten behandeling is gehouden in r.o. 3.9 van de beslissing van de wrakingskamer, wordt weerlegd in r.o. 3.6. Het Hof ziet verder dat in de beslissing een aantal wrakingsgronden, zoals de gronden die betrekking hebben op de bejegening van de gewraakte rechter naar appellant toe en de klachten over het proces-verbaal van de zitting, gezamenlijk zijn behandeld. Hierdoor bevat de beslissing niet alle woorden/termen die volgens appellant door de gewraakte rechter zijn gebruikt en waartegen zijn klachten zijn gericht. Dat de wrakingsgronden niet tot in dat detail zijn behandeld, brengt niet mee dat de Rechtbank deze gronden onvoldoende heeft beoordeeld, laat staan dat dit een doorbreking van het rechtsmiddelenverbod rechtvaardigt.

Slotsom

2.6.

Het hoger beroep is niet-ontvankelijk.

Beslissing

Het Gerechtshof:

-

verklaart appellant niet-ontvankelijk in het door hem ingestelde hoger beroep tegen de beslissing van de wrakingskamer van de Rechtbank van 21 september 2023; en

-

bepaalt dat een afschrift van deze beslissing wordt toegezonden aan appellant, de Heffingsambtenaar en de gewraakte rechter.

Deze beslissing is vastgesteld door K. Schaffels, Chr.Th.P.M. Zandhuis en J.I. de Vreese-Rood in tegenwoordigheid van de griffier. De beslissing is op 28 februari 2024 in het openbaar uitgesproken.