Gerechtshof Den Haag, 17-12-2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:2872, BK-25/27
Gerechtshof Den Haag, 17-12-2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:2872, BK-25/27
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Den Haag
- Datum uitspraak
- 17 december 2025
- Datum publicatie
- 16 februari 2026
- Zaaknummer
- BK-25/27
- Relevante informatie
- Art. 9 BPM, Art. 10 BPM, Art. 20 AWR
Inhoudsindicatie
Naheffingsaanslag bpm. Artikel 20, lid 3, AWR. De naheffingsaanslag is binnen de wettelijke termijn opgelegd. Geen geslaagd beroep op vertrouwensbeginsel. Verdere waardevermindering wegens schade niet aannemelijk gemaakt.
Uitspraak
Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-25/27
in het geding tussen:
(gemachtigde: S.M. Bothof)
en
(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 17 december 2024, nummer SGR 23/8325.
Procesverloop
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd van € 6.200 (de naheffingsaanslag).
Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslag bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft het bezwaar ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake hiervan is een griffierecht van € 184 geheven. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake daarvan is een griffierecht van € 289 geheven. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
De mondelinge behandeling van de zaken heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 2 december 2025. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
Feiten
Belanghebbende heeft op aangifte een bedrag van € 689 aan bpm voldaan ter zake van de registratie van een gebruikte Jeep Renegade 1.3T 4WD Limited (de auto). De datum van eerste toelating is 21 september 2020.
In de aangifte is de te betalen belasting berekend op basis van een taxatierapport van [naam taxateur] B.V. Daarin is de historische nieuwprijs van de auto vastgesteld op € 42.035 en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 20.765. Hierop heeft de taxateur een bedrag van € 18.655 in mindering gebracht als ‘aftrek van een gangbare marge bij importvoertuigen en een redelijk deel van de reparatiekosten’ in verband met schade aan de auto, waardoor de handelsinkoopwaarde van de auto is bepaald op
€ 2.110. De historische (bruto) bpm is vastgesteld op € 13.762 (CO2-uitstoot van 186 g/km).
De Inspecteur heeft een bedrag van € 6.200 aan bpm nageheven. Daarbij heeft de Inspecteur zich gebaseerd op een rapport van Domeinen Roerende Zaken (DRZ) van 1 december 2021. Hierin is de historische nieuwprijs van de auto vastgesteld op € 42.030 en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 21.971 (Xray). DRZ heeft een bedrag van € 620 aan schade aannemelijk geacht, waarvan € 446 (72%) als waardevermindering in aanmerking is genomen. De handelsinkoopwaarde van de auto is derhalve bepaald op
€ 21.525 (afschrijving van 48,79%). De historische (bruto) bpm is vastgesteld op € 13.762 (CO2-uitstoot van 186 g/km).
Oordeel van de Rechtbank
3. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:
“Beoordeling van het geschil
Schade
7. Tussen partijen is niet in geschil dat de schade aan de auto die wordt vermeld in het taxatierapport al grotendeels was hersteld op het moment van hertaxatie door DRZ. Eiser stelt dat niettemin met de gestelde schade in het taxatierapport rekening moet worden gehouden nu dat taxatierapport niet ouder was dan één maand.
8. Het betoog van eiser ziet eraan voorbij dat het bedrag van de verschuldigde bpm moet worden bepaald aan de hand van de heffingsgrondslagen op het tijdstip waarop het voorgenomen belastbare feit zal plaatsvinden, dat wil zeggen (in gevallen als het onderhavige, waarin aangifte is gedaan vóór 1 januari 2022) naar de verwachte staat waarin het motorrijtuig verkeert op het tijdstip van afronding van de registratie dan wel van de aanvang van het gebruik van de weg.[1] Met schade die op dat moment al is hersteld, kan daarom geen rekening worden gehouden. Dat het rapport wel voldeed aan de formele eis dat het is opgemaakt ten hoogste een maand vóór het tijdstip dat de belasting is verschuldigd (artikel 8, vierde lid, tweede gedachtestreepje, van de Uitvoeringsregeling bpm 1992 (tekst 2021)), brengt daarin geen verandering.
9. Verder heeft eiser betoogd dat verweerder ten onrechte geen rekening heeft gehouden met schade aan één van de achterlichten en een kras op het portier rechtsachter. De bewijslast te dier zake rust op eiser.[2] De door hem ter zitting overgelegde foto’s zijn onvoldoende om aan die bewijslast te voldoen. De streep op het portier kan evengoed een krijtstreep zijn, zoals verweerder terecht heeft aangevoerd. De rechtbank kan uit de foto niet opmaken dat er aan dat portier meer herstel nodig is dan de door DRZ genoteerde spotrepair. In het rapport van DRZ wordt bij de achterlichtunits vermeld dat geen sprake is van schade, maar wel van vuil. Op de ter zitting overgelegde foto van het achterlicht zijn witte vlekken en lijm- of taperesten te zien. De rechtbank kan daaruit niet opmaken dat sprake is van schade.
Hoogte van de waardevermindering wegens schade
10. Eiser stelt voorts dat de schade voor 100% in mindering moet worden gebracht op de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat. Hij voert daartoe aan dat de auto slechts
veertien maanden oud was en slechts 12.154 kilometer op de teller had. Bovendien was de schade volgens eiser omvangrijk en technisch gecompliceerd.
11. Mede gelet op het bepaalde in onderdeel 3.5 van Bijlage I bij de Uitvoeringsregeling bpm 1992 (tekst 2021) moet eiser – voor zover betwist – aannemelijk maken, dat de waardevermindering als gevolg van de schade aan de auto meer bedraagt dan 72% van het schadebedrag. Ondanks de relatief jonge leeftijd van de auto heeft eiser, gelet op de kilometerstand van 12.154, niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een auto die praktisch als een nieuw heeft te gelden waarvan kan worden verondersteld dat die hersteld zal worden naar nieuwstaat. De stelling van eiser dat sprake zou zijn van omvangrijke en technisch gecompliceerde schade, wat daar ook van zij, leidt niet tot een ander oordeel.
12. Hierbij merkt de rechtbank nog op dat voor de heffing van bpm een raming van herstelkosten niet zonder meer de waardevermindering als gevolg van schade hoeft weer te geven, reeds omdat in het kader van het herstellen van schade aan (onder)delen van een personenauto onvermijdelijk ook de normale sporen van gebruik – die reeds in de volgens de koerslijst bepaalde handelsinkoopwaarde van een referentievoertuig worden verdisconteerd – verdwijnen.[3]
13. Het enkele feit dat in een aantal gevallen wel 100% van de schade in aanmerking wordt genomen, betekent voorts niet dat dat in alle gevallen moet gebeuren. Dit leidt ook niet tot een schending van artikel 110 van het VWEU. Dat zou slechts anders zijn als bij een soortgelijke auto die zich reeds op Nederlands grondgebied bevindt, dezelfde schade wel voor 100% in aanmerking zou zijn genomen. Eiser heeft niet gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt dat dit het geval is.
14. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, behoeft de ter zitting door verweerder ingenomen stelling dat het taxatierapport van eiser niet aan de daaraan gestelde eisen voldoet, geen nadere behandeling.
Vertrouwensbeginsel
15. Eiser heeft ten slotte nog een beroep gedaan op het vertrouwensbeginsel. Hij heeft daartoe aangevoerd dat het tijdsverloop tussen de hertaxatie door DRZ en het opleggen van de naheffingsaanslag ruim één jaar is. Door het lange stilzitten heeft verweerder het vertrouwen gewekt dat geen naheffingsaanslag meer zou worden opgelegd.
16. Eisers beroep op het vertrouwensbeginsel faalt. Verweerder handelt niet in strijd met het vertrouwensbeginsel indien hij (binnen de wettelijke termijn) een naheffingsaanslag oplegt op een later tijdstip dan mogelijk zou zijn geweest. Door het enkele verstrijken van de door eiser genoemde tijd kan immers bij hem niet het in rechte te beschermen vertrouwen zijn opgewekt dat verweerder van naheffing zal afzien.[4]
Slotsom
17. Gelet op wat hiervoor is overwogen, dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
Vergoeding van immateriële schade
18. Eiser heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Een periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase wordt in dit verband als redelijk beschouwd. Verweerder heeft het bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslag op 10 januari 2023 ontvangen. De rechtbank doet op 17 december 2024 uitspraak. De redelijke termijn is dan nog niet overschreden. Eiser heeft daarom geen recht op een vergoeding van immateriële schade.
Proceskosten
19. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
(…)
[1] HR 26 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:415, r.o. 3.5.1.
[2] HR 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:63, r.o. 2.3.3.
[3] Vgl. HR 10 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:2822, r.o. 2.4.3 en Gerechtshof Den Haag 21 oktober 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:1653, r.o. 5.4.5.
[4] Vgl. HR 23 april 1980, ECLI:NL:HR:1980:AW9992.”