Home

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 02-11-2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:3807, 21/00607

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 02-11-2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:3807, 21/00607

Gegevens

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
2 november 2022
Datum publicatie
26 januari 2023
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2022:3807
Formele relaties
Zaaknummer
21/00607
Relevante informatie
Art. 9 BPM, Art. 10 BPM, Art. 6a Uitv.reg. BPM, Art. 8:31 Awb, Art. 8:42 Awb, Art. 28c Iw 1990, Art. 110 VWEU

Inhoudsindicatie

BPM. Afdoening diverse formele grieven. Nederlandse kentekengegevens behoren tot op de zaak betrekking hebbende stukken. Hof verbindt geen consequenties aan het niet overleggen door de inspecteur van deze gegevens, nu verondersteld mag worden dat belanghebbende daarover kan beschikken. Zij heeft in de aangifte aangegeven de beoogde kentekenhouder te zijn. Het buitenlands kentekenbewijs en het CoC behoren niet tot de op de zaak betrekking hebbende stukken.

Uitspraak

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Nummer: 21/00607

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] B.V.,

gevestigd in [vestigingsplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag (hierna: de rechtbank) van 11 februari 2021, nummer SGR 20/1548, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de inspecteur,

en

de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid),

hierna: de minister.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Belanghebbende heeft aangifte belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) gedaan met betrekking tot de registratie van een [merk] met voertuigidentificatie-nummer (VIN) eindigend op [nummer] (hierna: de auto). Belanghebbende heeft het in de aangifte BPM aangegeven verschuldigde BPM-bedrag voldaan.

1.2.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de voldoening op aangifte.

1.3.

De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.5.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.6.

Belanghebbende heeft vóór de zitting een pleitnota ingediend. Deze pleitnota is eveneens vóór de zitting doorgestuurd naar de inspecteur.

1.7.

De zaken zijn in behandeling genomen door de enkelvoudige kamer (mr. Van Roij). De zitting van de enkelvoudige kamer heeft plaatsgevonden op 6 april 2022 in ’sHertogenbosch. Daar zijn verschenen namens belanghebbende [gemachtigde 1] , vergezeld door [gemachtigde 2] , en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] . Op de zitting zijn de zaken 21/00607 tot en met 21/00610 gelijktijdig behandeld.

1.8.

Ter zitting heeft de inspecteur een nadere berekening van de verschuldigde BPM overgelegd aan het hof en aan de wederpartij.

1.9.

Aan het einde van de zitting heeft de behandelend raadsheer aangekondigd dat de zaak mogelijk wordt verwezen naar de meervoudige kamer. Partijen hebben desgevraagd verklaard dat in geval van een dergelijke verwijzing een nader onderzoek ter zitting achterwege kan blijven. Vervolgens heeft het hof ter zitting het onderzoek gesloten en een schriftelijke uitspraak binnen zes weken aangekondigd.

1.10.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan partijen is verzonden.

1.11.

Bij brieven van 16 mei 2022 en 27 juni 2022 heeft de griffier partijen bericht dat de uitspraakdatum met zes weken is verlengd.

1.12.

Bij brief van 30 juni 2022 heeft de griffier aan partijen meegedeeld dat het onderzoek is heropend en is verwezen naar de meervoudige kamer. Daarbij is aangegeven uit welke leden de meervoudige kamer bestaat en dat het hof het onderzoek vervolgens heeft gesloten en schriftelijk uitspraak zal doen binnen de aangekondigde termijn (zie 1.11).

1.13.

De griffier heeft in de brief van 3 augustus 2022 partijen ervan in kennis gesteld dat een of meerdere raadsheren die bij de zaak van belanghebbende betrokken is/zijn, niet op de juiste manier is/zijn beëdigd, dat de desbetreffende raadshe(e)r(en) inmiddels opnieuw is/zijn beëdigd en dat het hof van oordeel is dat het in de zaken 21/00607 tot en met 21/00610 niet nodig is om een nieuwe zitting te houden, omdat de gesignaleerde onvolkomenheid niets afdoet aan de deskundige en zorgvuldige wijze waarop de zaken (inhoudelijk) zijn behandeld. Vervolgens heeft de gemachtigde van belanghebbende verklaard gebruik te willen maken van het recht om op een nadere zitting te worden gehoord.

1.14.

Een nadere zitting heeft plaatsgevonden op 4 oktober 2022 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen namens belanghebbende [gemachtigde 1] , vergezeld door [gemachtigde 2] , en, namens de inspecteur, [inspecteur 3] en [inspecteur 2] . Op de zitting zijn de zaken 21/00607 tot en met 21/00610 gelijktijdig behandeld.

1.15.

Belanghebbende heeft tijdens de zitting twee pleitnota’s (gedagtekend 3 en 4 oktober 2022) overgelegd aan het hof en aan de inspecteur.

1.16.

Belanghebbende heeft op 30 september 2022 – dus vóór de sluiting van het onderzoek op 4 oktober 2022 – het hof digitaal een pleitnota toegestuurd. De behandelende kamer heeft pas na het sluiten van het onderzoek kennisgenomen van dit gedingstuk. Het hof ziet geen reden het onderzoek te heropenen teneinde de inspecteur in de gelegenheid te stellen op deze pleitnota te reageren, gelet op de inhoud ervan en de reactie van de inspecteur op de zitting. Deze pleitnota wordt met deze uitspraak naar de inspecteur gestuurd.

1.16.

Van de nadere zitting is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift gelijktijdig met de uitspraak aan partijen wordt verzonden.

2 Feiten

2.1.

De auto is afkomstig uit België, met als datum van eerste toelating 31 oktober 2017.

2.2.

Belanghebbende heeft op 6 maart 2018 voor de auto een bedrag van € 1.789 aan BPM op aangifte voldaan. In de aangifte is uitgegaan van een CO2-uitstoot van de auto van 114 gr/km. De aangifte is gedaan aan de hand van een taxatierapport (hierna: het taxatierapport) waarin bij de waardebepaling van de auto de totale gecalculeerde reparatiekosten van € 4.518 als schade in mindering zijn gebracht.

2.3.

De auto is op 12 maart 2018 met kenteken [kenteken] in het Nederlandse kentekenregister geregistreerd.

2.4.

Bij brief van 16 maart 2018, ontvangen door de inspecteur op 20 maart 2018, is namens belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de voldoening op aangifte.

2.5

Bij uitspraak op bezwaar van 2 augustus 2018 is het bezwaar ongegrond verklaard.

2.6.

Het daartegen ingestelde beroep heeft de rechtbank ongegrond verklaard. Daarbij is aan belanghebbende een vergoeding toegekend voor immateriële schade te voldoen door de Staat en in verband hiermee proceskosten en griffierecht, eveneens te voldoen door de Staat.

3 Geschil en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

1. Is de verschuldigdheid van de geheven griffierechten bij aanvang van de gerechtelijke procedure in strijd met het Unierecht?

2. Heeft belanghebbende recht op vergoeding van 8% rente plus inflatie over de geheven griffierechten?

3. Heeft de inspecteur artikel 8:42 Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) geschonden?

4. Heeft de inspecteur de hoorplicht geschonden?

5. Zijn de rechtbank en het hof bevoegd uitleg te geven aan de bepalingen van het Unierecht?

6. Heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat belanghebbende (enige) bewijslast draagt ten aanzien van de vermindering van belasting wegens een uit een andere lidstaat afkomstige personenauto?

7. Moet, als gevolg van de invoering van de WLTP-testmethode, worden uitgegaan van een CO2-uitstoot van de auto van 64 gr/km?

8. Moet de belasting met 10% worden verminderd omdat voor de bepaling van de afschrijving rekening moet worden gehouden met de kwalificatie ‘ex-rental’?

9. Kan de inspecteur de BPM-teruggave wegens extra leeftijdskorting intern compenseren met het verschil tussen 100% en 72% van de gecalculeerde schade?

10. Is sprake van een met het Unierecht strijdig verschil in heffingsmodaliteiten ten aanzien van binnenlandse en uit het buitenland afkomstige auto’s?

11. Heeft de rechtbank het Unierecht miskend door toepassing te geven aan artikel 28c Invorderingswet 1990 ter zake van de terugbetaling van in strijd met het Unierecht geheven belasting?

12. Heeft belanghebbende recht op een hogere vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn?

13. Is de belastingrechter de bevoegde rechter om de proceskostenvergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn van berechting vast te stellen?

3.2.

Belanghebbende concludeert tot toewijzing van de door hem ingenomen standpunten. De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep.

4 Gronden

5 Beslissing