Home

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 24-09-2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:2587, 23/1685 en 23/1686

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 24-09-2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:2587, 23/1685 en 23/1686

Gegevens

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
24 september 2025
Datum publicatie
29 oktober 2025
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2025:2587
Formele relaties
Zaaknummer
23/1685 en 23/1686
Relevante informatie
Art. 27e AWR, Art. 67d AWR, Art. 6 EVRM

Inhoudsindicatie

Aanslag IB/PVV met boete en aanslag Zvw 2017. Beroep op gelijkheidsbeginsel verworpen, omdat niet is voldaan aan de op belanghebbende rustende stelplicht. Het hof bevestigt de overwegingen van de rechtbank dat niet de vereiste aangifte is gedaan, dat de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard, dat de schatting van de inspecteur redelijk is en dat belanghebbende niet overtuigend heeft aangetoond dat de aanslagen te hoog zijn vastgesteld. Belanghebbende heeft in hoger beroep geen gronden aangevoerd, dan wel bewijs ingebracht, op basis waarvan het hof tot een ander oordeel komt dan de rechtbank. Het hof is van oordeel dat de inspecteur (voorwaardelijk) opzet overtuigend heeft aangetoond. Het hof vermindert de vergrijpboete vanwege de financiële omstandigheden van belanghebbende en de overschrijding van de redelijke termijn in de beroepsfase. Hoger beroep gegrond.

Uitspraak

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Nummers: 23/1685 en 23/1686

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonend in [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 3 november 2023, nummers BRE 22/3966 en 22/4009, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft voor het jaar 2017 de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd (hierna: de aanslag IB/PVV). Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht en bij beschikking een boete opgelegd (hierna: de boetebeschikking).

1.2.

Daarnaast heeft de inspecteur voor het jaar 2017 de aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet opgelegd (hierna: de aanslag Zvw). Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht.

1.3.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep met betrekking tot de boetebeschikking gegrond verklaard en de boetebeschikking verminderd.

1.5.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.6.

De zitting heeft plaatsgevonden op 23 mei 2025 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen belanghebbende, en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .

1.7.

Belanghebbende heeft tijdens de zitting een pleitnota voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de andere partij.

1.8.

Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2 Feiten

2.1.

Belanghebbende was vennoot in [bedrijf] (hierna: [bedrijf] ). Het winstaandeel van belanghebbende in deze vennootschap onder firma bedroeg 50%. De andere vennoot van [bedrijf] was de heer [naam] (hierna: [naam] ). [naam] had eveneens een winstaandeel van 50% in [bedrijf] .

2.2.

Belanghebbende was in 2017 het gehele jaar gehuwd met [partner] . Het verzamelinkomen van de partner bedroeg in 2017 € 62.219.

2.3.

In 2016 is door de inspecteur een controle ingesteld bij [bedrijf] . De controle betrof onder meer de aanvaardbaarheid van de aangiften IB/PVV voor de jaren 2013 tot en met 2015. De bevindingen hebben geleid tot omzetcorrecties in (navorderings)aanslagen IB/PVV en Zvw en het opleggen van vergrijpboeten. Belanghebbende en de inspecteur hebben in 2020 een vaststellingsovereenkomst gesloten betreffende (onder andere) de hoogte van de belastbare winst van [bedrijf] over de jaren 2013, 2014 en 2015. Deze bedraagt respectievelijk: € 102.81, € 131.241 en € 223.471. Wat betreft de vergrijpboeten is overeengekomen dat deze worden verminderd.

2.4.

Rechtbank Amsterdam (afdeling privaatrecht) heeft in haar tussenvonnis van 5 juli 2017 [bedrijf] ontbonden en een vereffenaar benoemd.

2.5.

De onderneming van [bedrijf] is op 15 augustus 2017 op een veiling verkocht voor een bedrag van € 440.555. De verkoop is via de vereffenaar verlopen. Bij de nota van afrekening heeft de vereffenaar in totaal € 92.963,16 aan kosten verrekend met de opbrengst.

2.6.

In de aangiften omzetbelasting van [bedrijf] is over de periode van januari tot en met september 2017 een omzet van in totaal € 461.082 vermeld.

2.7.

Rechtbank Amsterdam (afdeling privaatrecht) heeft op 1 november 2017 wederom een tussenvonnis gewezen. Partijen zijn bij dat tussenvonnis in de gelegenheid gesteld zich, met inachtneming van dat wat reeds in het tussenvonnis van 5 april 2017 is overwogen, uit te laten over de wijze waarop de verdeling van het vermogen van de vof plaats dient te vinden. Belanghebbende heeft vervolgens uitdrukkelijk het standpunt ingenomen dat een gelijke verdeling er toe leidt dat hem een bedrag van € 63.465,95 toekomt.

2.8.

In het vonnis van rechtbank Amsterdam (afdeling privaatrecht) van 20 juni 2018 is bepaald hoe het vermogen van [bedrijf] dat na de vereffening is overgebleven moet worden verdeeld. Ook staat in het vonnis dat de winst van [bedrijf] over 2017 € 48.657,23 bedraagt.

2.9.

De ontvanger van de Belastingdienst heeft beslag gelegd op het aan belanghebbende toekomende deel van de verkoopopbrengst van [bedrijf] . Deze opbrengst is verrekend met de te betalen bedragen op de verminderde navorderingsaanslagen IB/PVV en Zvw 2013 tot en met 2015 (zie onder 2.3). Na verrekening staat nog een te betalen bedrag open.

2.10.

Belanghebbende is uitgenodigd om aangifte IB/PVV over het jaar 2017 te doen. Belanghebbende heeft de aangifte op 30 april 2019 gedaan. Hij heeft in zijn aangifte vermeld dat [bedrijf] is gestaakt op 1 september 2017, dat zijn verzamelinkomen € 0 is, omzet en kosten eveneens nihil en ook in de jaarrekening zijn uitsluitend nihil-bedragen vermeld. Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat hij recht heeft op de zelfstandigenaftrek en dat hij voldoet aan de voorwaarden voor uitbetaling van heffingskorting(en).

2.11.

De inspecteur heeft op 16 augustus 2021 per e-mail vragen gesteld over de aangifte IB/PVV over het jaar 2017. Belanghebbende heeft hierop op 23 augustus 2021 per e-mail gereageerd. In dit e-mailbericht schrijft belanghebbende onder meer het volgende:

“(…) Het enige dat ik ontvangen heb is de nota van afrekening van die vereffenaar waar opstond de verkoopopbrengst en zijn nota. (….) Vervolgens werd op de opbrengst beslag gelegd door de belastingdienst en de hr. [naam] . Ik heb nooit meer iets vernomen tot een paar maanden geleden iemand van de belasting het beslagbedrag wou innen. Ik was dan ook van de veronderstelling dat jullie dat in 2017 al hadden gedaan. (…)

Ik beschik niet over enige administratie geen boekhouder en geen geld. Toen ik aangifte moest doen over het jaar 2017 heb ik ingevuld hetgeen ik over dat jaar heb ontvangen namelijk niks/nihil. (…)”

De inspecteur heeft op 30 augustus 2021 per e-mail gevraagd of belanghebbende de nota van afrekening wil toesturen, wat belanghebbende op 31 augustus 2021 heeft gedaan. In de begeleidende e-mail schrijft belanghebbende het volgende:

“ (….) in deze verrekening had ik nog ongeveer 80.000 tegoed (de rest was voor de heer [naam] ) waar de belasting in die tijd beslag op heeft gelegd. (…)”

2.12.

De inspecteur heeft bij brief van 28 september 2021 het voornemen kenbaar gemaakt om af te wijken van de door belanghebbende gedane aangifte IB/PVV over het jaar 2017 en het inkomen in box 1 te verhogen van € 0 naar € 161.004. Daarnaast maakt de inspecteur kenbaar voornemens te zijn een vergrijpboete van € 20.000 op te leggen voor het opzettelijk onjuist of onvolledig indienen van een aangifte IB/PVV (artikel 67d AWR). Tevens is vermeld dat de inspecteur van mening is dat de vereiste aangifte niet is gedaan, wat tot gevolg heeft dat de bewijslast wordt omgekeerd en verzwaard. Hierop is namens belanghebbende op 7 oktober 2021 en 14 oktober 2021 per e-mail gereageerd. In het e-mailbericht van 14 oktober 2021 is onder meer het volgende geschreven:

“(…) cliënt [het hof begrijpt: belanghebbende] heeft zelf de aangifte [het hof begrijpt: de aangifte IB/PVV 2017] gedaan zonder vooroverleg en heeft het biljet naar de economische realiteit ingevuld, dat wil zeggen hij heeft geen geld had geen geld en voor de rest ligt er beslag op een tegoed van hem door de belastingdienst. (…)”

2.13.

De inspecteur heeft de aanslag IB/PVV met dagtekening 21 december 2021 vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 161.005. Dit inkomen is als volgt opgebouwd:

Reguliere winst (50% van € 48.657,23)

€ 24.329

Stakingswinst

€ 173.796

- Verkoopopbrengst (50% van € 440.555)

€ 220.277

- Verkoopkosten (50% van € 92.964)

€ 46.482

- Boekwaarde onderneming

€ 0

Totale winst

€ 198.125

Af: Zelfstandigenaftrek

€ 7.280

Af: Stakingsaftrek

€ 3.630

Af: MKB-winstvrijstelling

€ 26.210

Belastbare winst

€ 161.004

De inspecteur heeft € 3.643 belastingrente in rekening gebracht. Ook heeft hij een vergrijpboete opgelegd. De inspecteur heeft de boete berekend op € 37.679 (50% van het bedrag aan belasting) en hij heeft rekening gehouden met de draagkracht van belanghebbende en de boete vastgesteld op € 20.000.

2.14.

De inspecteur heeft de aanslag Zvw met dagtekening 21 december 2021 opgelegd naar het maximale bijdrage-inkomen van € 53.701. Er is € 138 belastingrente in rekening gebracht.

2.15.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft de aanslag IB/PVV, de aanslag Zvw, de rentebeschikking IB/PVV, de rentebeschikking Zvw en de boetebeschikking bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd.

2.16.

De rechtbank heeft het beroep met betrekking tot de boetebeschikking gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar die ziet op de boetebeschikking vernietigd, de boete verminderd naar € 4.750, de beroepen voor het overige ongegrond verklaard en bepaald dat de inspecteur het griffierecht van € 50 aan belanghebbende moet vergoeden.

3 Geschil en conclusies van partijen

3.1.

In geschil is het antwoord op de volgende vragen:

  1. Is het gelijkheidsbeginsel geschonden?

  2. Zijn de aanslagen IB/PVV en Zvw terecht en tot de juiste bedragen opgelegd?

  3. Is de boetebeschikking – na vermindering door de rechtbank – terecht en tot het juiste bedrag opgelegd?

3.2.

Belanghebbende concludeert tot vermindering van de aanslagen IB/PVV en Zvw en vernietiging van de rentebeschikkingen en de boetebeschikking.

3.3.

De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4 Gronden

5 Beslissing