Home

Hoge Raad, 13-10-1954, AY4080, 11 908

Hoge Raad, 13-10-1954, AY4080, 11 908

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13 oktober 1954
Datum publicatie
5 april 2013
ECLI
ECLI:NL:HR:1954:AY4080
Zaaknummer
11 908
Relevante informatie
3.45 IB, 7.2 IB, 7.4 IB, 17 VPB

Uitspraak

De Hoge Raad, enz.

Gezien het beroepschrift in cassatie van X te Z (Duitsland) tegen de uitspraak van den Raad van Beroep te 's-Gravenhage van 21 December 1953 betreffende de hem opgelegde aanslagen tot navordering van loonbelasting en vereveningsheffing over het tijdvak van 18 tot 31 Mei 1953;

Gezien...

Overwegende dat belanghebbende tegen bovenbedoelde aanslagen, hem opgelegd tot een totaal bedrag van f 3.062,50, in beroep is gekomen bij den r.v.b., die echter de aanslagen heeft gehandhaafd, na te hebben overwogen:

'dat enz.;

dat het strijdpunt tussen partijen de Raad stelt voor de beantwoording van de vraag wanneer een werkgever gezegd worden kan hier te lande een fabriek, kantoor of andere vaste inrichting te hebben welke hem ingevolge art. 1, sub a, LB aan die belasting doet onderworpen zijn, welke vraag zich - nu tussen partijen in confesso is dat belanghebbende hier te lande niet een fabriek of kantoor heeft, zich toespitst in de vraag wat in gemeld wetsvoorschrift is te verstaan onder 'het hebben van een vaste inrichting', welk begrip daarin niet nader is omschreven; dat naar's Raads oordeel te dier zake niet is beslissend de vraag of de onderneming en/of het bedrijf zelve een meer of minder mobiel karakter draagt in dier voege dat het als organisatie met meer of minder gemak en snelheid kan worden verplaatst om elders uitgeoefend te worden; dat toch maar de tekst van gemeld artikel het criterium niet is of het bedrijf of de onderneming al dan niet vast dan wel mobiel is; dat, waar beslissend is of de beweerdelijk aan de loonbelasting onderworpene 'een andere vaste inrichting (tot zijn beschikking) heeft', uitsluitend van belang is of de ruimte, waarin het bedrijf, de onderneming wordt uitgeoefend, geacht worden kan een vaste inrichting te zijn, onverschillig of die ruimte is een gebouw, een gedeelte van een gebouw, enige vertrekken in een gebouw, een tent, hut of andere van de buitenwereld afgescheiden ruimte; dat naar's Raads inzicht bij die opvatting passend is de vastheid van de inrichting te beoordelen naar de meer of mindere bestendigheid in duur, gedurende welke het bedrijf of de onderneming uitgeoefend wordt in een inrichting binnen het Rijk; dat naar de verklaring door belanghebbendes gemachtigde ter zitting afgelegd, belanghebbende in de loop van het jaar 1953 gedurende ongeveer vijf a zes maanden binnen het Rijk voorstellingen heeft gegeven op onderscheidene plaatsen in Nederland in een reizend circus, bestaande uit een snel en met eigen vervoermiddelen te verplaatsen tentencomplex met bijbehorende bedrijfsuitrusting, derhalve op te bouwen en wederom af te breken, met de daartoe behorende wagens als woonverblijven voor personen en/of dieren; dat naar bovengegeven criterium derhalve ten deze stellig sprake is van een werkgever die hier te lande een vaste inrichting heeft gehad in het betreffende jaar;'

Overwegende dat belanghebbende in cassatie stelt:

Sch. of verk. toep. van art. 2, lid 1, sub b, jo. sub a, LB, art. 1 VH en art. 16 RvB, door te beslissen dat het hebben van een vaste inrichting hier te lande in den zin van art. 2, lid 1, sub a, LB, uitsluitend behoort te worden beoordeeld naar de meer of mindere bestendigheid in duur, gedurende welke het bedrijf of de onderneming uitgeoefend wordt in een inrichting binnen het Rijk, zulks ten onrechte, omdat deze interpretatie in strijd komt met de ondubbelzinnige bewoordingen der wettelijke bepalingen, waarin sprake is van een vaste inrichting, aan welke uitdrukking taalkundig geen andere betekenis kan worden toegekend dan dat deze gebonden moet zijn aan een bepaalde, vaste plaats, hetgeen ook in overeenstemming is met de usance van het internationaal belastingrecht;

Overwegende dienaangaande:

dat onder 'vaste inrichting' als bedoeld in art. 2, lid 1, letter a, van het Besluit op de Loonbelasting 1940 mede kan worden begrepen een inrichting, welke, ook al mocht zij verplaatsbaar zijn, geregeld als middelpunt van het door den werkgever hier te lande uitgeoefende bedrijf dient;

dat het tentencomplex, waarin belanghebbende zijn bedrijf van circusdirecteur uitoefent, een zodanige inrichting uitmaakt;

dat derhalve het middel ongegrond is;

Verwerpt het beroep.