Home

Hoge Raad, 07-06-1989, ZC4053, 26133

Hoge Raad, 07-06-1989, ZC4053, 26133

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
7 juni 1989
Datum publicatie
8 april 2013
ECLI
ECLI:NL:HR:1989:ZC4053
Zaaknummer
26133
Relevante informatie
Wet op belastingen van rechtsverkeer [Tekst geldig vanaf 01-08-2022 tot 01-01-2023], Wet op belastingen van rechtsverkeer [Tekst geldig vanaf 01-08-2022 tot 01-01-2023], 52 BRV

Uitspraak

ARREST

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de - op 26 april 1988 in afschrift aan partijen verzonden - uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 4 maart 1988 betreffende de hem ter zake van na te melden verkrijging opgelegde aanslag tot naheffing van overdrachtsbelasting.

1. Aanslag en bezwaar

Aan belanghebbende is ter zake van de verkrijging op 20 december 1985 van het woonhuis met ondergrond en erf, gelegen te Z aan de a-straat nr. 1 deel uitmakend van een boerderij, een aanslag tot naheffing van overdrachtsbelasting opgelegd, welke aanslag na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd tot een aanslag ten bedrage van f 3.150 zonder verhoging.

2. Geding voor het Hof

Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft als vaststaande aangemerkt:

Belanghebbende, geboren in 1952, heeft van 1 januari 1974 tot en met 1 februari 1985 in firmaverband met zijn vader, die is geboren in 1920, op diens boerderij een agrarisch bedrijf uitgeoefend. Tot de boerderij behoren enkele bedrijfsgebouwen en een in de onmiddellijke omgeving van deze opstallen staand woonhuis (het woonhuis te zamen met de ondergrond en de tuin hierna te noemen: de woning). Volgens de firma-akte had belanghebbendes vader onder meer het economische belang met betrekking tot de woning in de firma ingebracht.

De woning is tot mei 1976 bewoond door belanghebbendes ouders en hun kinderen. Belanghebbendes vader was volgens de firma-akte gerechtigd, zolang de firma voortduurde, de woning om niet te bewonen.

In de firma-akte zijn met ingang van 1 januari 1976 enkele veranderingen aangebracht; met ingang van deze datum werd belanghebbende gerechtigd, zolang de firma voortduurde, de woning om niet te bewonen.

Belanghebbende is in mei 1976 in het huwelijk getreden. Zijn ouders zijn toen met hun andere kinderen verhuisd en belanghebbende woont sindsdien met zijn gezin in de woning.

De bedoelde firma is per 1 februari 1985 ontbonden in verband met het door belanghebbendes vader bereiken van de 65-jarige leeftijd. Bij akte van scheiding, deling en koop van 29 november 1985 is onder meer overeengekomen dat het door de vader ingebrachte economische belang aan de vader wordt toegescheiden en dat belanghebbende de boerderij, inclusief de woning, vrij van huur en/of pacht van de vader koopt voor de prijs van f 887.376.

Sinds 1 februari 1985 wordt het agrarische bedrijf geheel voor rekening en risico van belanghebbende uitgeoefend.

De bedoelde overeenkomst van koop en verkoop van 29 november 1985 is vastgelegd in een transportakte van 20 december 1985. In deze transportakte komt de volgende passage voor:

′Ten slotte verklaarden de comparanten:

a. ter berekening van de verschuldigde overdrachtsbelasting:

dat te dezen van toepassing is de vrijstelling als bedoeld in artikel 15, lid 1, sub b van de Wet op belastingen van rechtsverkeer op welke vrijstelling bij deze een beroep wordt gedaan;

dat de waarde van het in het bij deze verkochte begrepen woonhuis met ondergrond en erf wordt vastgesteld op eenhonderd vijfenveertig duizend gulden (f 145.000);

b. enzovoorts.′.

De bewoning van de woning ten tijde van de verkrijging hiervan door belanghebbende op 20 december 1985 berustte niet op een huurrecht of een zakelijk genotsrecht;

belanghebbende heeft ter zake van deze verkrijging, voor zover deze niet is vrijgesteld, op aangifte 6% van f 145.000 is f 8.700 overdrachtsbelasting voldaan.

De naheffingsaanslag is, voor wat betreft de enkelvoudige belasting, aldus berekend:

waarde in het economische verkeer van de woning in

vrij opleverbare staat f 197.500

6% hiervan is f 11.850

voldaan op aangifte f 8.700

nageheven f 3.150.

Het Hof heeft het geschil als volgt omschreven:

Het geschil is terug te voeren tot deze twee vragen:

I. Wordt de waarde in het economische verkeer van de woning per 20 december 1985 ongunstig beïnvloed door de omstandigheid dat op deze datum de woning door belanghebbende werd bewoond en belanghebbende niet voornemens was deze binnenkort te ontruimen?

II. Kan belanghebbende aan de inhoud van de resolutie van de Staatssecretaris van Financiën van 25 augustus 1965, nummer D5/4310, gepubliceerd in het Vakstudienieuws van 6 oktober 1965, punt 17, en in PW nr. 17 691 (hierna: de Resolutie) het in rechte te beschermen vertrouwen ontlenen dat de waarde van de woning te dezen wordt gesteld op de agrarische waarde?

Het Hof heeft voor de standpunten van partijen verwezen naar de stukken van het geding en vermeld dat daaraan ter zitting nog is toegevoegd:

Door de belanghebbende: Reeds de feitelijke bewoning door belanghebbende beïnvloedt de waarde in het economische verkeer van de woning in negatieve zin.

De waarde in het economische verkeer wordt mede beïnvloed door maatschappelijke factoren. Belanghebbende was, zoals ook uit de firma-akte is af te leiden, voorbestemd zijn vader in het bedrijf op te volgen.

De vader kon maatschappelijk de woning niet aan een ander dan belanghebbende overdragen.

De Inspecteur heeft ter zitting betwist dat de bewoning door belanghebbende onder de bij de vaststaande feiten omschreven omstandigheden de waarde in het economische verkeer van de woning in negatieve zin beïnvloedt.

Het Hof heeft omtrent het geschil overwogen:

1. dat volgens artikel 9, lid 1, juncto artikel 52 van de Wet op belastingen van rechtsverkeer de belasting wordt berekend over de waarde in het economische verkeer en deze waarde ten minste gelijk is aan die van de tegenprestatie;

2. dat de eerste vraag waartoe het geschil is terug te voeren deze is of de waarde in het economische verkeer van de woning per 20 december 1985 ongunstig wordt beïnvloed door de omstandigheid dat op deze dag de woning door belanghebbende werd bewoond en belanghebbende niet voornemens was deze binnenkort te ontruimen;

3. dat vaststaat dat deze bewoning ten tijde van de verkrijging van de woning op 20 december 1985 niet berustte op een huurrecht of een zakelijk genotsrecht;

4. dat uit de door belanghebbende aangevoerde omstandigheden niet kan worden afgeleid dat ten tijde van de verkrijging van de woning op 20 december 1985 een situatie bestond welke in feitelijk en maatschappelijk opzicht overeenkwam met de toestand dat belanghebbende de woning bewoonde krachtens een huurrecht of een zakelijk genotsrecht;

5. dat uit de beide vorige overwegingen naar 's Hofs oordeel geen andere conclusie is te trekken dan dat de onder 2 gestelde vraag ontkennend moet worden beantwoord;

6. dat belanghebbende aan de (onder de werking van de Registratiewet 1917 uitgevaardigde) Resolutie - waarin de Staatssecretaris de inspecteurs aanbeveelt bij overdrachten van land- en tuinbouwbedrijven door ouders aan kinderen tegen een op de agrarische waarde afgestemde prijs niet dan met terughoudendheid gebruik te maken van de mogelijkheid tot het vragen van een minnelijke verhoging of het aanzeggen van een gerechtelijke waardering en slechts in sterk sprekende gevallen over te gaan tot het vorderen van een schenkingsaangifte - niet een in rechte te beschermen vertrouwen kan ontlenen dat de waarde van de woning te dezen mag worden gesteld op de agrarische waarde of de waarde in bewoonde staat, omdat in de Resolutie niet is bepaald dat onder land- en tuinbouwbedrijven mede zijn begrepen de op deze bedrijven staande woonhuizen en in de Resolutie bovendien aan de inspecteurs een zekere beleidsvrijheid is gelaten.

Op die gronden heeft het Hof de uitspraak van de Inspecteur bevestigd.

3. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld en daarbij de volgende middelen van cassatie voorgesteld:

I. Schending van het Nederlands recht, in het bijzonder van het bepaalde in artikel 9, lid 1, jo artikel 52 van de Wet op belastingen van rechtsverkeer, doordat het Hof heeft overwogen als volgt: ′dat uit de door belanghebbende aangevoerde omstandigheden niet kan worden afgeleid dat ten tijde van de verkrijging van de woning op 20 december 1985 een situatie bestond welke in feitelijk en maatschappelijk opzicht overeenkwam met de toestand dat belanghebbende de woning bewoonde krachtens een huurrecht of een zakelijk genotsrecht′.

II. Schending van artikel 17 van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken, doordat het Hof ten onrechte en/of op gronden welke de beslissing niet kunnen dragen heeft beslist dat de waarde in het economisch verkeer van de woning per 20 december 1985 niet ongunstig wordt beïnvloed door de omstandigheid dat op deze dag de woning door belanghebbende werd bewoond en belanghebbende niet voornemens was deze binnenkort te ontruimen.

III. Schending van artikel 17 van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken, doordat het Hof ten onrechte en/of op gronden welke de beslissing niet kunnen dragen heeft beslist dat, op grond van de aanschrijving van 25 augustus 1965, nummer D5/4310, belanghebbende niet een in rechte te beschermen vertrouwen kan ontlenen dat de waarde van de woning mag worden gesteld op de agrarische waarde of de waarde in bewoonde staat, omdat in de aanschrijving niet is bepaald dat onder land- en tuinbouwbedrijven mede zijn begrepen de op deze bedrijven staande woonhuizen.

ad I.

Het Hof schendt artikel 9, lid 1, jo artikel 52 van de Wet op belastingen van rechtsverkeer door een te beperkte inhoud te geven aan het begrip waarde in het economisch verkeer.

Bij de waarde in het economisch verkeer moet rekening worden gehouden met elke relevante omstandigheid betreffende het te waarderen object.

De daadwerkelijke bewoning door belanghebbende is een relevante omstandigheid waarmee, bij de bepaling van de waarde in het economische verkeer, rekening moet worden gehouden. Dit geldt eens te meer nu de bewoning door belanghebbende een duurzaam karakter heeft en vanuit het oogpunt van een goede bedrijfsuitoefening door belanghebbende, noodzakelijk is. Dat ter zake van de bewoning door belanghebbende geen huurovereenkomst is gesloten of enig zakelijk genotsrecht is gevestigd doet hieraan niet af.

ad II.

In de vierde rechtsoverweging stelt het Hof dat er geen sprake is van een huurrecht of een zakelijk genotsrecht dan wel een in feitelijk en maatschappelijk opzicht daarmee gelijkgesteld recht.

Het Hof constateert terecht dat belanghebbende met ingang van 1 januari 1976 gerechtigd was zolang de firma voortduurde, om de woning om niet te bewonen. Deze bepaling in de firma-akte, waarmede ook tot uitdrukking wordt gebracht het belang van de woning voor het agrarische bedrijf, komt in feitelijk en maatschappelijk opzicht overeen met de toestand dat belanghebbende de woning bewoont krachtens een huurrecht of een zakelijk genotsrecht.

ad III.

De opvatting van het Hof dat in genoemde aanschrijving niet is bepaald dat onder land- en tuinbouwbedrijven mede zijn begrepen de op deze bedrijven staande woonhuizen strookt niet met het doel van de aanschrijving. De aanschrijving berust op de gedachte dat de koper van een landbouwbedrijf in staat moet zijn de exploitatie van het bedrijf ′lonend′ voort te zetten.

De aanschrijving geeft geen aanleiding het begrip bedrijf in beperkte zin uit te leggen. Voor een goede uitoefening van het agrarisch bedrijf is het tevens van essentieel belang dat de ondernemer in een woonhuis nabij de bedrijfsgebouwen en grond kan wonen. Op grond van deze punten concluderen wij dat een woonhuis een onlosmakelijk deel van het bedrijf vormt en is bestemd voor de uitoefening van het landbouwbedrijf. Dientengevolge achten wij de begunstigende regeling van genoemde aanschrijving eveneens van toepassing op de woning.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een vertoogschrift ingediend.

4. Beoordeling van de middelen

5. Beslissing