Home

Hoge Raad, 28-03-1990, ZC4258 AG6290 AN0955, 25668

Hoge Raad, 28-03-1990, ZC4258 AG6290 AN0955, 25668

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
28 maart 1990
Datum publicatie
12 maart 2026
ECLI
ECLI:NL:HR:1990:ZC4258
Formele relaties
Zaaknummer
25668
Relevante informatie
Art. 99 Wet RO, 14 VPB, 14a VPB, 14b VPB, 14c VPB, 3 AWR, 62 AWR, 63 AWR, 1:3 Awb, 3:4 Awb, 3:42 Awb, 25 IW 1990, 26 IW 1990

Inhoudsindicatie

-

Uitspraak

ARREST

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 8 september 1987 betreffende na te melden aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X BV te Z opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting. 

1. Aanslag en bezwaar

Aan belanghebbende is over het tijdvak van 1 januari tot en met 31 december 1984 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd ten bedrage van f 4.515 aan enkelvoudige belasting en f 2.257 aan verhoging, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, door de Inspecteur is gehandhaafd, met het besluit geen verdere kwijtschelding van de verhoging dan tot op 50 percent van de nagevorderde enkelvoudige belasting te verlenen. 

2. Geding voor het Hof

Belanghebbende heeft tegen het kwijtscheldingsbesluit beroep ingesteld bij het Hof.

Het Hof heeft als vaststaand aangemerkt:

'Belanghebbende is ondernemer in de zin van artikel 7 van de Wet op de omzetbelasting 1968 ter zake van de exploitatie van enige dierenspeciaalzaken.

Belanghebbende doet steeds na het gereedkomen van een jaarrekening een aanvullende aangifte voor de omzetbelasting. Over het tijdvak 1980 leidde dit tot een betaling van f 774,74, over het tijdvak 1981 tot een teruggaaf van f 1.733,26, over het tijdvak 1982 tot een teruggaaf van f 2.829 en over het tijdvak 1983 tot een betaling van f 1.001.

Over het tijdvak 1984 heeft belanghebbende per saldo een teruggaaf van omzetbelasting ontvangen tot een bedrag van f 13.063. In de jaarstukken over 1984, welke op 15 april 1985 gereed zijn gekomen, is vermeld dat belanghebbende over dit tijdvak recht had op een teruggaaf van omzetbelasting tot een bedrag van f 8.548, zodat belanghebbende per saldo verschuldigd was een bedrag van f 4.515.

De inspecteur heeft dit bedrag na een renseignement van de inspecteur der vennootschapsbelasting nageheven en van de verhoging geen verdere kwijtschelding verleend dan tot op 50% van de enkelvoudige belasting'.

Het Hof heeft het geschil als volgt omschreven:

'In geschil is of de inspecteur terecht de verhoging niet verder heeft kwijtgescholden dan tot op 50% van het bedrag aan enkelvoudige belasting'.

Het Hof heeft omtrent de standpunten van partijen vermeld:

'Belanghebbende heeft tot grond van haar beroep doen aanvoeren, zakelijk weergegeven:

Belanghebbende heeft over de tijdvakken 1975 tot en met 1983 steeds uit eigen beweging na het gereedkomen van de jaarstukken aanvullende aangiften omzetbelasting gedaan. Over de tijdvakken 1975 tot en met 1984 resteert per saldo een teruggaaf van f 164. Er bestaat een wanverhouding tussen het gepleegde verzuim en de boete, nu rekening houdend met datum van verschuldigdheid en het opleggen van de naheffingsaanslag de boete een rentepercentage van 42% betekent.

Belanghebbende heeft in 1984 veel investeringen gedaan, hetgeen leidde tot een gebrek aan liquide middelen, waardoor belanghebbende niet direct aan zijn betalingsverplichtingen kon voldoen.

De aanvullende aangifte omzetbelasting over het tijdvak 1984 is niet onmiddellijk na het gereedkomen van de jaarstukken gedaan, omdat inmiddels een boekenonderzoek door de RAD was aangekondigd. De resultaten van dit onderzoek wilde belanghebbende in haar aanvullende aangifte verwerken.

De inspecteur heeft hier tegenover gesteld, zakelijk weergegeven:

Belanghebbende heeft verzuimd aangifte en betaling te doen, hoewel zij al langer dan een half jaar van het bestaan van de schuld op de hoogte was. De verhoging bedraagt een veelvoud van het door belanghebbende genoten voordeel, doch dit is op zichzelf niet voldoende de verhoging te matigen. Zou dit anders zijn, dan bestaat de mogelijkheid dat een belastingplichtige betaling achterwege laat, omdat de verhoging toch gematigd wordt, indien slechts een gering rentevoordeel wordt behaald.

De liquiditeitspositie van belanghebbende wordt onjuist voorgesteld; de relatief lage schuld aan omzetbelasting van f 4.515 had gemakkelijk kunnen worden betaald, desnoods uit een kort krediet bij de bank.

Uit het gedrag in het verleden is weinig af te leiden, behalve dat doorgaans na afloop van het jaar omzetbelasting wordt teruggevraagd'.

Het Hof heeft omtrent het geschil overwogen:

'Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting staat vast dat belanghebbende steeds na het gereedkomen van een jaarrekening een aanvullende aangifte deed voor de omzetbelasting welke in de jaren 1980 tot en met 1983 varieerde van een nog te betalen bedrag van f 1.001 tot een terug te ontvangen bedrag van f 2.829, dat de jaarrekening over 1984 gereed is gekomen op 15 april 1985 op grond waarvan nog aan omzetbelasting diende te worden betaald een bedrag van f 4.515.

Belanghebbende heeft gesteld dat dit bedrag niet onmiddellijk is aangegeven omdat inmiddels een boekenonderzoek door de RAD was aangekondigd en belanghebbende meende te moeten afwachten of en in hoeverre het door haar berekende bedrag ten gevolge van dat onderzoek nog wijziging zou ondergaan. Evenbedoeld bedrag is door de inspecteur op 26 november 1985 nageheven.

Naar 's Hofs oordeel heeft de inspecteur bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid niet kunnen komen tot het besluit de in de naheffingsaanslag begrepen verhoging niet verder kwijt te schelden dan tot op 50% van het bedrag van de enkelvoudige belasting. Een zodanige afweging leidt naar 's Hofs oordeel tot een kwijtschelding tot op 10% van het bedrag aan enkelvoudige belasting'.

Op die gronden heeft het Hof het bestreden kwijtscheldingsbesluit vernietigd en van de verhoging kwijtschelding tot op 10 percent van het bedrag aan enkelvoudige belasting verleend.

3. Geding in cassatie

4. Beoordeling van het middel

5. Beslissing