Home

Hoge Raad, 30-01-2026, ECLI:NL:HR:2026:136, 24/01455

Hoge Raad, 30-01-2026, ECLI:NL:HR:2026:136, 24/01455

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
30 januari 2026
Datum publicatie
30 januari 2026
ECLI
ECLI:NL:HR:2026:136
Formele relaties
Zaaknummer
24/01455

Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting; art. 6.32, 6.33(b) en 6.35 Wet IB 2001. Art. 5b AWR. Art. 63 VWEU. Gift aan buitenlandse instelling. Registratievoorwaarde. Algemeen nut beoogde instelling. Vrijheid van kapitaalverkeer. Geen (in)directe discriminatie naar vestigingsplaats. Geen prejudiciële vragen.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer 24/01455

Datum 30 januari 2026

ARREST

in de zaak van

[X] (hierna: belanghebbende)

tegen

de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 28 maart 2024, nr. 23/1791, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nr. AWB 21/5004) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2020 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

De Advocaat-Generaal M.R.T. Pauwels heeft op 18 april 2025 geconcludeerd tot schorsing van het geding en tot het op de voet van artikel 267 VWEU aan het Hof van Justitie van de Europese Unie voorleggen van een prejudiciële vraag.2

Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2 Uitgangspunten in cassatie

Belanghebbende was in 2020 binnenlands belastingplichtig voor de Wet IB 2001. Hij heeft in 2020 giften gedaan aan instellingen die zijn gevestigd in Duitsland en Zwitserland. De instellingen hebben de Inspecteur niet op de voet van artikel 5b, lid 6, AWR verzocht om bij voor bezwaar vatbare beschikking te worden aangemerkt als een algemeen nut beogende instelling (hierna: anbi) als bedoeld in dat artikel. Zij voldoen als gevolg daarvan niet aan de in het eerste lid van dat artikel onder 5° gestelde voorwaarde (tekst 2020; hierna: de registratievoorwaarde), en zijn daarom voor de toepassing van de Nederlandse belastingwetgeving niet aan te merken als anbi. Op grond van de Nederlandse wetgeving (artikel 6.35 Wet IB 2001 in samenhang met artikel 6.33, aanhef en letter b, en artikel 6.32 van die wet), vormen deze giften voor de heffing van inkomstenbelasting daardoor geen aftrekbare giften.

3 De oordelen van het Hof

3.1

Voor het Hof was in geschil of de registratievoorwaarde in dit geval op grond van het Unierecht (de vrijheid van kapitaalverkeer) buiten toepassing moet blijven, en de giften aan de in Duitsland en Zwitserland gevestigde instellingen daardoor in aftrek van het inkomen kunnen komen.

3.2

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat zich in dit geval een schending van het Unierecht voordoet. Hij voert daartoe aan dat de buitenlandse instellingen waaraan hij de giften heeft gedaan door de bevoegde buitenlandse belastingautoriteiten naar buitenlandse maatstaven zijn erkend als algemeen nut beogend. Hij voert verder aan dat die buitenlandse instellingen ook voldoen aan de Nederlandse materiële voorwaarden om een anbi-status te verkrijgen. Dat zij in Nederland geen anbi-status hebben aangevraagd, kan volgens belanghebbende geen grond zijn om de aftrek te weigeren. Van buitenlandse instellingen kan, vanwege de bewerkelijkheid van het traject, namelijk niet in redelijkheid worden verlangd dat zij in Nederland een anbi-status aanvragen, aldus belanghebbende.

3.3.1

Het Hof heeft geoordeeld dat zich in dit geval geen schending van het Unierecht voordoet.

3.3.2

Het Hof heeft daartoe overwogen dat de Nederlandse wet niet een onderscheid maakt tussen giften aan een in Nederland of daarbuiten gevestigde anbi. Van een belemmering van het vrije verkeer van kapitaal in juridisch opzicht is daardoor geen sprake, aangezien zowel in Nederland als in andere EU-lidstaten gevestigde instellingen kunnen verzoeken om als anbi te worden aangemerkt. Het Hof heeft ook het bestaan van een feitelijke belemmering van het vrije kapitaalverkeer niet aannemelijk geacht.

3.3.3

Voor zover belanghebbende stelt dat het in aanmerking komen voor giftenaftrek ter zake van giften aan de hiervoor in 2 bedoelde instellingen praktisch onmogelijk of uiterst moeilijk wordt gemaakt, is deze stelling volgens het Hof in feitelijke zin niet voldoende onderbouwd.

3.3.4

Het Hof heeft verder overwogen dat een voldoende rechtvaardiging bestaat voor de registratievoorwaarde, aangezien de wetgever deze voorwaarde heeft gesteld om de handhaafbaarheid van de controle op instellingen zo goed mogelijk te waarborgen.

3.3.5

Het Hof is op grond van dit een en ander tot de slotsom gekomen dat het EU-rechtelijke evenredigheids- en doeltreffendheidsbeginsel in dit geval niet zijn geschonden.

4 Beoordeling van de klachten

5 Proceskosten

6 Beslissing