Hoge Raad, 16-01-2026, ECLI:NL:HR:2026:60, 20/03948 bis
Hoge Raad, 16-01-2026, ECLI:NL:HR:2026:60, 20/03948 bis
Gegevens
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 16 januari 2026
- Datum publicatie
- 16 januari 2026
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2026:60
- Formele relaties
- In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2020:8628
- Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:386
- Zaaknummer
- 20/03948 bis
Inhoudsindicatie
Vennootschapsbelasting; art. 10a, lid 1, aanhef en letter c, Wet Vpb 1969; recht op aftrek van rente die voldoet aan het at arm’s length beginsel; uitleg arrest HvJ 20 januari 2021, Lexel AB, ECLI:EU:C:2021:34 ; eindarrest na prejudiciële beslissing HvJ ECLI:NL:HR:2022:1121
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 20/03948bis
Datum 16 januari 2026
ARREST
in de zaak van
[X] B.V. (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 20 oktober 2020, nr. 18/010491, na beantwoording van de door de Hoge Raad aan het Hof van Justitie van de Europese Unie gestelde vragen.
1 De loop van het geding in cassatie tot dusver
Voor een overzicht van het geding in cassatie tot aan het door de Hoge Raad in dit geding gewezen arrest van 2 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1121, wordt verwezen naar dat arrest, waarbij de Hoge Raad aan het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft verzocht een prejudiciële beslissing te geven over de in dat arrest geformuleerde vragen.
Bij arrest van 4 oktober 2024, X BV, C-585/22, ECLI:EU:C:2024:822, heeft het Hof van Justitie, uitspraak doende op die vragen, voor recht verklaard:
“Artikel 49 VWEU
moet aldus worden uitgelegd dat
het zich niet verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan bij het bepalen van de winst van een belastingplichtige de aftrek van rente ter zake van een leenschuld die is aangegaan met een verbonden lichaam en die verband houdt met de verwerving of uitbreiding van een belang in een ander lichaam dat na deze verwerving of uitbreiding een met de belastingplichtige verbonden lichaam is, volledig wordt geweigerd wanneer deze schuld wordt aangemerkt als (onderdeel van) een volstrekt kunstmatige constructie, zelfs indien die schuld tegen marktconforme voorwaarden is aangegaan en indien die rente niet uitgaat boven het bedrag dat zou zijn overeengekomen tussen onafhankelijke ondernemingen.”
Partijen zijn in de gelegenheid gesteld te reageren op dit arrest. Zowel belanghebbende als de Staatssecretaris heeft schriftelijk gereageerd.
De Advocaat-Generaal M.R.T. Pauwels heeft op 28 maart 2025 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.2Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
2 Nadere beoordeling van de middelen
Zoals de Hoge Raad heeft overwogen in rechtsoverweging 3.2 van het arrest van 2 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1121 (hierna: het verwijzingsarrest), lenen de middelen III en V voor zover deze zich richten tegen de in rechtsoverweging 2.2.2 van dat arrest weergegeven oordelen van het Hof, zich voor gezamenlijke behandeling.
Deze oordelen van het Hof houden in dat de renteaftrekbeperking van artikel 10a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (tekst voor het jaar 2007; hierna: de Wet) niet in strijd is met (een van) de in de artikelen 49, 56 en 63 VWEU neergelegde vrijheden. Daarbij is het Hof veronderstellenderwijs ervan uitgegaan dat artikel 10a van de Wet een beperking van die vrijheden inhoudt, en heeft het vervolgens geoordeeld, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 8 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1350, dat voor die beperking een rechtvaardiging bestaat.
Middelen III en V betogen, onder verwijzing naar (in het bijzonder) punt 56 van het arrest van het Hof van Justitie van 20 januari 2021, Lexel AB, C-484/19, ECLI:EU:C:2021:34 (hierna: het arrest Lexel), dat het Hof met deze oordelen heeft miskend (i) dat in het geval van belanghebbende zich de situatie voordoet als bedoeld in artikel 10a, lid 3, aanhef en letter a, van de Wet, zodat artikel 10a, lid 1, aanhef en letter c, van de Wet geen toepassing vindt, omdat de rentevergoedingen en overige voorwaarden van de leningen marktconform zijn en het dus niet gaat om een volstrekt kunstmatige constructie zoals bedoeld in de rechtspraak van het Hof van Justitie, en (ii) dat voor de beperking van (een van) de in de artikelen 49, 56 en 63 VWEU neergelegde vrijheden geen voldoende rechtvaardiging bestaat, omdat de volledige weigering van de aftrek van rente disproportioneel is en in strijd met de vrijeverkeersbepalingen.
De Hoge Raad heeft naar aanleiding van het door de middelen III en V aan de orde gestelde arrest Lexel prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie. Het Hof van Justitie heeft de vragen beantwoord vanuit het oogpunt van artikel 49 VWEU aangezien eventuele beperkingen die voortvloeien uit de aan de orde zijnde belastingregeling (artikel 10a van de Wet) onvermijdelijk voortvloeien uit een belemmering van de vrijheid van vestiging. Bij het arrest van 4 oktober 2024, X BV, C-585/22, ECLI:EU:C:2024:822 (hierna: het arrest X BV), heeft het Hof van Justitie die vragen beantwoord.
Uit het arrest X BV volgt dat de regeling van artikel 10a, lid 1, aanhef en letter c, van de Wet, in samenhang gelezen met artikel 10a, lid 3, aanhef en letter a, van de Wet (hierna ook: de 10a-regeling), niet in strijd is met de Unierechtelijke vrijheid van vestiging omdat, kort gezegd, de beperking van die vrijheid door de weigering van renteaftrek kan worden gerechtvaardigd door de noodzaak om belastingfraude en -ontwijking te voorkomen en, tevens, om volstrekt kunstmatige constructies die bedoeld zijn om belasting te ontwijken, te bestrijden (vgl. punten 55 tot en met 57 van het arrest X BV). Blijkens het arrest X BV is de 10a-regeling geschikt om het door die regeling nagestreefde doel op coherente en systematische wijze te waarborgen. Hierbij vormt de mogelijkheid die artikel 10a, lid 3, aanhef en letter a, van de Wet biedt om het vermoeden dat is gevestigd doordat is voldaan aan de criteria van artikel 10a, lid 1, aanhef en letter c, van de Wet, te weerleggen, een zodanige afbakening van de gevallen die door de renteaftrekbeperking worden getroffen, dat de laatstgenoemde bepaling niet een ongerechtvaardigd vermoeden bevat dat de schuld deel uitmaakt van een volstrekt kunstmatige constructie. Blijkens het arrest X BV gaat de 10a-regeling ookniet verder dan noodzakelijk is om het door die regeling nagestreefde doel te bereiken omdat de weigering van de renteaftrek is beperkt tot gevallen waarin een lening binnen een groep van verbonden lichamen deel uitmaakt van een volstrekt kunstmatige constructie, dat wil zeggen in zodanige mate door fiscale motieven is ingegeven dat die lening niet noodzakelijk is voor de verwezenlijking van zakelijk gefundeerde doeleinden en in het geheel niet zou zijn aangegaan door lichamen waartussen geen bijzondere betrekkingen bestaan (vgl. punt 71 van het arrest X BV). De weigering van elke renteaftrek is in dat geval verenigbaar met het evenredigheidsbeginsel (vgl. punt 88 van het arrest X BV).
In het bijzonder kan, blijkens punt 84 van het arrest X BV, uit punt 56 van het arrest Lexel niet worden afgeleid dat, wanneer een lening en de daarmee verband houdende transacties niet door zakelijke overwegingen worden gerechtvaardigd, het enkele feit dat de voorwaarden van die lening corresponderen met die welke tussen onafhankelijke ondernemingen zouden zijn overeengekomen, impliceert dat die lening en die transacties per definitie geen volstrekt kunstmatige constructies vormen.Voor zover middel III en middel V anders betogen, falen zij dus.
De maatstaf voor de beoordeling of het volstrekt kunstmatige karakter van de lening als (onderdeel van) de constructie die artikel 10a van de Wet bestrijdt, aanwezig is, is gegeven in de punten 57 tot en met 61 van het arrest X BV. Uit die punten volgt dat een volstrekt kunstmatige constructie geen verband houdt met de economische realiteit en specifiek is bedoeld om de belasting te ontwijken die normaal gesproken verschuldigd is over winsten uit activiteiten op het nationale grondgebied. In de gevallen waarop artikel 10a van de Wet betrekking heeft, vindt volgens het arrest X BV het kunstmatige karakter van de lening als (onderdeel van) de constructie zijn oorsprong in de omleiding van eigen vermogen van een groep, welk eigen vermogen op kunstmatige wijze bij een Nederlands lichaam van die groep wordt gepresenteerd als vreemd vermogen, en in de omstandigheid dat de rente ter zake van een dergelijke lening in aftrek kan worden gebracht op het in Nederland belastbare resultaat. In die gevallen weerspiegelt de omzetting in vreemd vermogen, en dus de lening, niet de economische realiteit zoals bedoeld in de punten 54 en 64 van het arrest X BV en is het karakter van die lening volstrekt kunstmatig. De 10a-regeling verhindert dat de rente ter zake van een dergelijke lening in aftrek kan worden gebracht op het in Nederland belastbare resultaat. Daarbij gaat het om de in punt 71 van het arrest X BV omschreven gevallen waarin de lening binnen een groep van verbonden vennootschappen in zodanige mate door fiscale motieven is ingegeven dat die lening niet noodzakelijk is voor de verwezenlijking van zakelijk gefundeerde doeleinden en in het geheel niet zou zijn aangegaan door lichamen waartussen geen bijzondere betrekkingen bestaan.
Voor zover belanghebbende in het kader van de tegenbewijsregeling van artikel 10a, lid 3, aanhef en letter a, van de Wet in haar reactie op het arrest X BV heeft bedoeld te klagen over de maatstaf die door het Hof is aangelegd bij de voorwaarde dat aan de schulden en de daarmee verband houdende rechtshandelingen (de verwerving of uitbreiding van het belang) in overwegende mate zakelijke overwegingen ten grondslag liggen, heeft het volgende te gelden. Belanghebbende constateert dat deze nationale maatstaf strenger is geformuleerd dan de Unierechtelijke maatstaf voor zover die laatste maatstaf voor het bewijs dat niet een volstrekt kunstmatige constructie bestaat, slechts vereist dat schuld en rechtshandeling enig verband houden met de economische realiteit (punt 57 van het arrest X BV) of, kort gezegd, anderszins niet zijn aangegaan zonder enige bedrijfseconomische reden.
Een zodanige maatstaf kan evenwel – naar redelijkerwijs niet voor twijfel vatbaar is – niet door het Hof van Justitie zijn bedoeld. Gelet op de in punten 57, 64 en 71 van het arrest X BV gegeven omschrijvingen van het begrip volstrekt kunstmatige constructie, is het ontbreken van de economische realiteit weliswaar een van de elementen voor deze kwalificatie, maar vormt het element van de fiscale motieven (de ontwijking van de winstbelasting) het doorslaggevende element voor het bestaan van een volstrekt kunstmatige constructie. Daarom moet worden aangenomen dat het bij de kwalificatie van een transactie – zoals het aangaan van een schuld – als (onderdeel van) een volstrekt kunstmatige constructie dus uitsluitend gaat om gevallen waarin fiscale overwegingen, gericht op het ontwijken van belasting, de doorslag hebben gegeven voor het aangaan van die transactie, en zulks ongeacht of daarvoor ook andere, gewichtige(r) bedrijfseconomische overwegingen bestaan.
Met zijn oordeel dat in dit geval de volstrekt doorslaggevende reden voor het omleiden van de geldstromen en het creëren van de leningen via een in België gevestigde groepsvennootschap die in de betrokken jaren aldaar voor fiscale doeleinden de status van ‘coördinatiecentrum’ had (hierna: [C]) de belastingbesparing is geweest, heeft het Hof hetgeen hiervoor in 2.4.2 is overwogen, niet miskend en niet een onjuiste maatstaf aangelegd. De middelen III en V falen ook in zoverre.
In haar reactie op het arrest X BV heeft belanghebbende verder betoogd dat uit punt 88 van dat arrest volgt dat de maatstaf ter beoordeling of een schuld (onderdeel van) een kunstmatige constructie is, uiteenvalt in drie cumulatieve voorwaarden, waaronder de voorwaarden dat de schuld nooit zou zijn aangegaan zonder bijzondere betrekkingen tussen de betrokken lichamen en zonder streven naar belastingvoordeel. Omdat de rentebetalingen van belanghebbende aan [C] at arm’s length, dus marktconform zijn, voldoen de leningen volgens belanghebbende niet aan de voorwaarden dat zij niet zouden zijn aangegaan zonder bijzondere betrekkingen tussen de betrokken lichamen en zonder streven naar belastingvoordeel. Onder deze omstandigheden is het niet gerechtvaardigd om op grond van artikel 10a van de Wet de rente op de leningen van aftrek uit te sluiten, aldus belanghebbende.
In punt 88 van het arrest X BV heeft het Hof van Justitie het volgende overwogen:
“Wanneer daarentegen de betrokken lening zelf elke economische rechtvaardiging ontbeert, en deze lening nooit zou zijn aangegaan indien er tussen de betrokken ondernemingen geen bijzondere betrekkingen bestonden en er geen belastingvoordeel werd nagestreefd, is het verenigbaar met het evenredigheidsbeginsel om de aftrek van rente in zijn geheel te weigeren, aangezien de belastingdienst een dergelijke volstrekt kunstmatige constructie bij het vaststellen van de verschuldigde vennootschapsbelasting moet negeren. Als alleen de aftrek van een gedeelte van de over die lening betaalde rente zou worden geweigerd, zou dat de belastingplichtige in staat stellen het door middel van misbruik nagestreefde belastingvoordeel deels of zelfs in zijn geheel te verkrijgen, waardoor afbreuk zou worden gedaan aan de samenhang van de betrokken regeling.”
Zoals is uiteengezet in onderdeel 11.2 van de conclusie van de Advocaat-Generaal, gaat punt 88 van het arrest X BV niet over de vraag wanneer een lening (onderdeel van) een volstrekt kunstmatige constructie is; het bevat ook geen criteria voor de beantwoording van deze vraag. Dit punt 88 betreft de vraag of, in het licht van hetgeen het Hof van Justitie heeft geoordeeld in punt 51 van het arrest Lexel, de weigering van elke renteaftrek proportioneel is indien niet de rentevoet ongebruikelijk hoog is, maar de lening als zodanig (onderdeel van) een volstrekt kunstmatige constructie is. In punt 88 van het arrest X BV neemt het Hof van Justitie tot uitgangspunt dat de desbetreffende lening vanwege het ontberen van elke economische rechtvaardiging deel uitmaakt van zo’n kunstmatige constructie en adresseert vervolgens de hiervoor bedoelde vraag, die bevestigend wordt beantwoord. Dat antwoord is anders wanneer de kunstmatigheid van de constructie uitsluitend is gelegen in de hoogte van de rentevoet (punt 87 van het arrest X BV).
Voor zover belanghebbende in punt 88 van het arrest X BV méér leest, of iets anders leest, berust dat op een verkeerde lezing. De daarin voorkomende tussenzin over twee omstandigheden (de bijzondere betrekkingen en het belastingvoordeel) zoals hiervoor in 2.5.1 weergegeven, bevat slechts een toelichting bestaande uit de omschrijving van enkele elementen van de daarvóór reeds geïdentificeerde lening die elke economische rechtvaardiging mist. Van een beoordelingsmaatstaf met drie voorwaarden is geen sprake.Voor zover belanghebbende heeft bedoeld eenzelfde betoog naar voren te brengen met betrekking tot de onevenredigheid van de weigering van elke renteaftrek, faalt haar betoog eveneens, en op dezelfde gronden als hiervoor vermeld.
Het Hof heeft aannemelijk geacht dat belastingbesparing de volstrekt doorslaggevende reden is geweest voor het omleiden van de geldstromen en het creëren van de leningen via [C]; het heeft in dit kader niet aannemelijk geacht dat [C] daadwerkelijk een financiële functie vervulde binnen het concern. Volgens het Hof is in verband met de fiscale positie van [C] de financiering van de overname via [C] geleid, in plaats van dat de overname rechtstreeks met eigen middelen is betaald. Met deze oordelen heeft het Hof tot uitdrukking gebracht dat het – in navolging van de Rechtbank – van oordeel is dat ook indien [C] in het algemeen gesproken een financiële spilfunctie binnen het concern vervulde,3 niet aannemelijk is gemaakt dat [C] deze functie eveneens vervulde in het kader van de onderhavige financiering. In het geval van de onderhavige financiering is volgens het Hof de functie van [C] kennelijk niet méér geweest dan die van een doorgeefluik, omdat eigen vermogen dat binnen het concern aanwezig was, via [C] is omgeleid en in vreemd vermogen bij belanghebbende is omgezet.4 Deze oordelen geven niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting van de begrippen financiële spilfunctie en doorgeefluik zoals bedoeld in arrest van de Hoge Raad van 3 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:330 (het spilfunctiearrest). Voor het overige zijn zij verweven met waarderingen van feitelijke aard en niet onbegrijpelijk; zij kunnen daarom door de Hoge Raad in de cassatieprocedure verder niet op juistheid worden getoetst.
In het licht van punt 88 van het arrest X BV betekent hetgeen hiervoor in 2.6.1 is overwogen en geoordeeld dat de onderhavige leningen elke economische rechtvaardiging ontberen en dat zij dus niet zouden zijn aangegaan indien tussen [C] en belanghebbende geen bijzondere betrekkingen bestonden en er geen belastingvoordeel werd nagestreefd. Hieruit volgt dat het alsdan niet in strijd is met het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel om de aftrek van rente ter zake van de schulden van belanghebbende aan [C] volledig te weigeren. Het oordeel van het Hof dat de Inspecteur terecht op grond van artikel 10a van de Wet de renteaftrek heeft geweigerd, geeft dus niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
Gelet op hetgeen hiervoor in 2.3.3, 2.4.3, 2.5.4 en 2.6.2 is overwogen, falen de middelen III en V voor zover zij zich richten tegen de in rechtsoverweging 2.2.2 van het verwijzingsarrest weergegeven oordelen van het Hof.
De Hoge Raad heeft ook de overige in middel V aangevoerde klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3 Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.