Home

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 01-08-2016, ECLI:NL:RBZWB:2016:4828, AWB - 15 _ 6759

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 01-08-2016, ECLI:NL:RBZWB:2016:4828, AWB - 15 _ 6759

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
1 augustus 2016
Datum publicatie
1 augustus 2016
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2016:4828
Formele relaties
Zaaknummer
AWB - 15 _ 6759
Relevante informatie
Wet op de dividendbelasting 1965 [Tekst geldig vanaf 01-01-2024 tot 01-01-2025] art. 10

Inhoudsindicatie

Rechtbank Zeeland-West-Brabant legt prejudiciële vragen voor aan de Hoge Raad over de verschuldigdheid van dividendbelasting door buitenlandse beleggingsinstellingen. De rechtbank doet dit mede naar aanleiding van het grote aantal zaken hierover dat bij de rechtbank aanhangig is en de discussie in de literatuur waarin de vraag wordt opgeworpen of het arrest van 10 juli 2015, nr. 14/03956, ECLI:NL:HR:2015:1777 nog onverkort van toepassing is. Het voorleggen van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad is in het belastingrecht een nieuw instrument dat voor het eerst wordt gebruikt.

Uitspraak

Belastingrecht, meervoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummers: BRE 15/6759 tot en met 15/6762

uitspraak van 1 augustus 2016

Beslissing als bedoeld in afdeling 2a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende] , gevestigd te [woonplaats] (Verenigd Koninkrijk),

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Belanghebbende heeft, bij brief van 28 december 2006, door de inspecteur ontvangen op 29 december 2006, in daarbij gevoegde aangiften vennootschapsbelasting dan wel dividendbelasting, voor de navolgende boekjaren de volgende verzoeken om teruggaaf van dividendbelasting ingediend:

boekjaar 2003 tot een bedrag van € 209.637 (zaaknummer BRE 15/6759);

boekjaar 2004 tot een bedrag van € 180.144 (zaaknummer BRE 15/6760);

boekjaar 2005 tot een bedrag van € 138.225 (zaaknummer BRE 15/6761);

boekjaar 2006 tot een bedrag van € 115.605 (zaaknummer BRE 15/6762).

1.2.

De inspecteur heeft de verzoeken bij in één geschrift vervatte beschikkingen van 30 oktober 2014 afgewezen.

1.3.

De inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 4 september 2015 de bezwaren afgewezen.

1.4.

Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 12 oktober 2015, ontvangen bij de rechtbank op 13 oktober 2015, beroep ingesteld. Ter zake van deze beroepen heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 331. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Met toestemming van partijen heeft de rechtbank bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft.

1.6.

De rechtbank heeft partijen bij brief van 20 april 2016 in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over haar voornemen om op grond van artikel 27ga van de AWR prejudiciële vragen aan de Hoge Raad voor te leggen en over de inhoud van de voor te leggen vragen.

1.7.

De inspecteur heeft de rechtbank bij fax van 3 mei 2016 meegedeeld dat omdat het arrest HR 10 juli 2015, nr. 14/03956, ECLI:NL:HR:2015:1777, BNB 2015/203 (hierna: het arrest BNB 2015/203) vragen lijkt op te roepen, het hem nuttig lijkt om ter zake van dit arrest prejudiciële vragen te stellen. De inspecteur heeft geen opmerkingen gemaakt over de door de rechtbank geformuleerde prejudiciële vragen.

1.8.

Belanghebbende heeft de rechtbank bij brief van 13 mei 2016 meegedeeld het stellen van prejudiciële vragen toe te juichen. Belanghebbende heeft met betrekking tot de door de rechtbank geformuleerde prejudiciële vragen aangevoerd dat deze niet voorzien in een mogelijk onderzoek naar de vraag of andere oplossingen voorhanden zijn die tegemoetkomen aan de door de Hoge Raad in het arrest BNB 2015/203 gesignaleerde bezwaren maar die wel de verstoring van de interne markt oplossen. Belanghebbende acht daarom van belang dat de rechtbank ook de volgende prejudiciële vragen stelt:

“Verzet artikel 63 VWEU e.v. zich tegen wettelijke bepalingen in de Nederlandse Wet DB en Wet Vpb waarbij de mogelijkheid aan beleggingsfondsen wordt gegeven (via de faciliteit van de fiscale beleggingsinstelling) om dividendbelasting door te geven aan haar participanten terwijl deze mogelijkheid wordt onthouden aan beleggingsfondsen die niet hun hoofdzetel dan wel secundaire vestiging (vaste inrichting) in Nederland hebben?

Gebiedt artikel 63 VWEU e.v. in dat geval dat niet in Nederland gevestigde beleggingsfondsen de mogelijkheid wordt geboden om (op verzoek) als inhoudingsplichtige voor de dividendbelasting te worden aangewezen, zodat zij ook in staat worden gesteld om de Nederlandse dividendbelasting door te geven aan haar participanten?

Zo ja, welke voorwaarden mogen hierbij worden gesteld?”

Tot slot heeft belanghebbende vermeld dat hoewel het gewenst is dat prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ) worden gesteld, hij het begrijpelijk acht dat de prejudiciële vragen aan de Hoge Raad worden voorgelegd. Belanghebbende stelt dat het zijns inziens van belang is dat de rechtbank daarbij de Hoge Raad wijst op de mogelijkheid van het stellen van prejudiciële vragen aan het HvJ.

1.9.

Namens belanghebbende is verzocht om, in het geval waarin de rechtbank tot het stellen van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad of het HvJ beslist, toe te zien op het waarborgen van zijn anonimiteit.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding staat het volgende vast:

2.1.

Belanghebbende is een in het [Land] gevestigd “open-end” beleggingsfonds met variabel kapitaal. De ondernemingsactiviteiten van belanghebbende bestaan uit het beleggen van het fondsvermogen. [naam] is de zogenoemde ‘authorised corporate director’ en als zodanig verantwoordelijk voor het managen van belanghebbende in overeenstemming met het zogenoemde COLL Sourcebook.

2.2.

De participanten in belanghebbende kunnen deelnemen in zijn bezittingen door het kopen van aandelen. De aandelen zijn verkrijgbaar als ‘Income shares’ (waarop dividend wordt uitgekeerd) en ‘Accumulation shares’ (waarvan de prijs wordt verhoogd met het dividend).

2.3.

Belanghebbende is in Nederland niet inhoudingsplichtig voor de dividendbelasting.

2.4.

In de in 1.1 vermelde jaren zijn van belanghebbende de in 1.1 vermelde bedragen aan Nederlandse dividendbelasting geheven ter zake van door belanghebbende ontvangen dividenden.

2.5.

Tijdens de behandeling van de in 1.1 vermelde verzoeken heeft de inspecteur belanghebbende een brief met dagtekening 7 juli 2014 gestuurd, waarin onder meer is vermeld:

“4. Transparantie

Uit de toegezonden stukken kan worden afgeleid dat het fonds wordt gedreven in de vorm van een ‘investment company with variable capital’. Ik sluit me aan bij uw standpunt dat het fonds als niet-transparant moet worden beschouwd. Dat betekent dat het fonds de juiste partij is om het verzoek in te dienen.”

3 Geschil

3.1.

In geschil is het antwoord op de vraag of de inspecteur de verzoeken om teruggaaf van dividendbelasting terecht heeft afgewezen. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend en de inspecteur bevestigend.

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Voor zover de standpunten betrekking hebben op de kwestie waarover de rechtbank een prejudiciële vraag stelt aan de Hoge Raad, wordt – gelet op artikel 29ga, derde lid, van de AWR – de kern ervan weergegeven in onderdeel 4.4 van de uitspraak.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en vaststelling van teruggaaf van dividendbelasting over de boekjaren 2003 tot en met 2006 conform de 1.1 vermelde verzoeken.

3.4.

De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van de beroepen.

4 Beoordeling van het geschil

5 Beslissing