A-G Koopman: rechter moet motiveren waarom hij afwijkt van uitdrukkelijk onderbouwd beroep op boete verminderende omstandigheid

A-G Koopman: rechter moet motiveren waarom hij afwijkt van uitdrukkelijk onderbouwd beroep op boete verminderende omstandigheid

Gegevens

Nummer
2025/1954
Publicatiedatum
12 december 2025
Auteur
Redactie
ECLI
ECLI:NL:PHR:2025:1303
Rubriek
Formeel belastingrecht
Relevante informatie

Deze zaak gaat in cassatie alleen nog over een verzuimboete van € 984 die aan belanghebbende is opgelegd omdat zij had verzuimd voor het jaar 2011 aangifte te doen voor de IB/PVV. De boete is conform de voor het jaar 2011 geldende tekst van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (BBBB) vastgesteld op 20% van het wettelijk boetemaximum van € 4.920, omdat belanghebbende voor de tweede achtereenvolgende maal in verzuim was (par. 21(6a) BBBB, tekst 2011).

Hof Den Bosch 26 maart 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:836, heeft deze boete verminderd met 50% tot € 492 vanwege de financiële omstandigheden van belanghebbende. Daarbij was door de inspecteur en het hof echter over het hoofd gezien dat het BBBB na 2011 is gewijzigd en dat als gevolg van die wijziging (ook bij een tweede verzuim) de boete in beginsel niet hoger is dan 7% van het boetemaximum, zijnde € 344.

In onderdeel 4 van de conclusie schrijft A-G Koopman dat belanghebbende moet profiteren van deze voor haar gunstige wijziging van het BBBB. Weliswaar bepaalt de inwerkingtredingsparagraaf van het wijzigingsbesluit dat die wijziging geldt met ingang van het belastingjaar 2014, maar die bepaling wordt opzijgezet door de algemene regel dat bij een wijziging van het recht de voor de ‘verdachte’ meest gunstige bepaling moet worden toegepast.

Belanghebbende heeft voor het hof ook een beroep gedaan op andere verzachtende omstandigheden. Zij voerde aan dat zij in detentie heeft gezeten, dat er veel op haar afkwam en dat zij daar medische klachten aan overgehouden heeft. Bij de motivering van zijn oordeel over de hoogte van de boete is het hof daar niet uitdrukkelijk op ingegaan. Daarover klaagt belanghebbende.

De A-G gaat vervolgens in op de vraag welke motiveringseisen moeten worden gesteld aan de gehele of gedeeltelijke verwerping van een beroep op ‘boete verminderende omstandigheden’. De A-G zoekt daarvoor inspiratie bij de rechtspraak van de Hoge Raad in strafzaken. Daarin komt tot uitdrukking dat de rechter gehouden is te motiveren waarom hij afwijkt van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt van de verdediging.

A-G Koopman meent dat een beroep op verzachtende omstandigheden zoals dat in deze zaak is gedaan onvoldoende duidelijk en door argumenten geschraagd is om te kunnen gelden als uitdrukkelijk onderbouwd standpunt. Het hof is kennelijk ook daarvan uitgegaan en dat oordeel is in zijn ogen niet onbegrijpelijk.

Tot slot rijst nog de vraag of de boete van € 344 nog verder moet worden verminderd met 50% vanwege de financiële omstandigheden van belanghebbende. De A-G meent van niet, omdat hij de bestreden uitspraak zo leest dat het hof daarmee kennelijk heeft bedoeld dat een boete van (50% van € 984 =) € 492 niet disproportioneel is. Dan is een boete van € 344 dat evenmin.

A-G Koopman concludeert daarom tot gegrondverklaring van het cassatieberoep en vermindering van de boete door de Hoge Raad tot € 344.