Belanghebbende heeft vanwege toekenning VIS recht op griffierechtvergoeding

Belanghebbende heeft vanwege toekenning VIS recht op griffierechtvergoeding

Gegevens

Nummer
2026/106
Publicatiedatum
23 januari 2026
Auteur
Redactie
ECLI
ECLI:NL:HR:2026:86
Rubriek
Formeel belastingrecht
Relevante informatie

In deze BPM-zaak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, de naheffingsaanslag verminderd, de inspecteur veroordeeld tot kostenvergoeding voor bezwaar en beroep en tot vergoeding van het griffierecht. Verder heeft de rechtbank de minister veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn (VIS). Op het hoger beroep van de inspecteur heeft hof Den Haag (ECLI:NL:GHDHA:2023:2227) die beslissingen teruggedraaid, behoudens de beslissing over de VIS. Het hof heeft de minister veroordeeld in de kosten van de beroepsfase. Het hof heeft geen aanleiding gezien voor vergoeding van het bij de rechtbank betaalde griffierecht. Die laatste beslissing houdt in cassatie geen stand. Gelet op het in HR 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567, NTFR 2024/972 geformuleerde overgangsrecht heeft belanghebbende namelijk wel recht op vergoeding van het bij de rechtbank betaalde griffierecht. Belanghebbende heeft namelijk vóór de uitspraak van de rechtbank op 11 augustus 2022 verzocht om een VIS en de redelijke termijn was ook vóór 31 mei 2024 overschreden. De Hoge Raad doet zelf de zaak af en veroordeelt de minister tot vergoeding van het door belanghebbende betaalde griffierecht voor de beroepsfase. Verder krijgt belanghebbende een VIS van € 500 voor overschrijding van de redelijke termijn in cassatie en een proceskostenvergoeding voor de cassatiefase, ten laste van de minister.

(Cassatieberoep gegrond.)